Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 18 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7062Zaaknummer C/16/616608 / FL RK 26-974

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/16/616608 / FL RK 26-974
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Lelystad
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie: provisionele voorziening afgewezen. Er is niet een voldoende spoedeisend belang gebleken. Man kan bodemprocedure over kinderalimentatie afwachten, omdat uit zijn berekening blijkt dat hij een draagkracht heeft van € 1.200,- per maand. Niet onderbouwd dat sprake is van financiële noodsituatie.

De rechtbank:

4.1

wijst het verzoek van de man in de provisionele voorziening af;

4.2

houdt de verzoeken in de bodemprocedure aan in afwachting van de ontbrekende stukken (zie brief 21 augustus 2026), en de nog te plannen mondelinge behandeling.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Volledige tekst

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Lelystad

Zaaknummer: C/16/616608 / FL RK 26-974

Provisionele voorziening

Beschikking van 18 september 2026

in de zaak van:

[de man],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.C. Otten,

tegen

[de vrouw],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M-T. Psara.

1 1 De procedure

1.1

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift (met bijlagen) van de man, binnengekomen op 20 augustus 2026;
  • het verweerschrift (met bijlagen) van de vrouw, met daarin een aantal zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 2 september 2026;
  • het bericht (met bijlage) van de vrouw van 3 september 2026.
1.2

Er heeft geen mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden.

2 2 Waar de procedure over gaat

2.1

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest.

2.2

Zij zijn de ouders van:

  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats],
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats],
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats].

De kinderen wonen bij de vrouw.

2.3

Deze rechtbank heeft bepaald dat het gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] alleen aan de vrouw toekomt (beschikking 17 juni 2026).

2.4

Deze rechtbank heeft beslist dat de man met ingang van 1 december 2021 een bedrag van € 414,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun drie kinderen (beschikking van 18 mei 2022 en herstelbeschikking van 15 juni 2022).

2.5

Verder staat in artikel 1.2 sub e van het echtscheidingsconvenant (tevens ouderschapsplan):

Kosten van de kinderen

1.2.

Met betrekking tot de kosten van de kinderen zijn partijen het navolgende overeengekomen:

(...)

e. aan de vrouw komen toe de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Op dit moment ontvangt de vrouw geen kindgebonden budget en ook geen inkomensafhankelijke combinatiekorting. Op het moment dat de vrouw wel recht heeft op een tegemoetkoming zal de vrouw de man hierover informeren, zodat de alimentatie kan worden herberekend;

(...).

2.6

De man vraagt de rechtbank:

in de bodemprocedure:

I. te bepalen dat met ingang van 11 juli 2022 de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen aan de vrouw dient te voldoen van € 362,- per kind per maand;

II. te bepalen dat met ingang van 1 januari 2023 de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen aan de vrouw dient te voldoen van € 373,- per kind per maand;

III. te bepalen dat met ingang van 1 januari 2024 de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen aan de vrouw dient te voldoen van € 316,- per kind per maand;

IV. te bepalen dat met ingang van 1 juni 2025 de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen aan de vrouw dient te voldoen van € 264,- per kind per maand;

V. althans een zodanige bijdrage met ingang van een zodanige datum door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, en tevens

VI. te bepalen dat hetgeen de man op basis van de door de rechtbank af te geven beschikking over de jaren 2022 tot en met mei 2025 te veel heeft betaald ad € 10.045,65 dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag door de vrouw aan de man dient te worden terugbetaald binnen veertien dagen na de in deze af te geven beschikking vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de dag van het in deze af te geven beschikking tot aan de dag der algehele voldoening dan wel dit door de man te veel betaalde bedrag dient te worden verrekend met het nog door de man aan de vrouw te betalen bedrag aan bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vanaf 2025 tot op heden;

VII. de vrouw primair te veroordelen in de werkelijke proceskosten, die de man voor de onderhavige procedure heeft gemaakt en nog zal moeten maken, vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de vijftiende dag na de dag van het in deze af te geven beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;

VIII. de vrouw subsidiair te veroordelen in de proceskosten die de man voor de onderhavige procedure heeft gemaakt en nog zal moeten maken, gebaseerd op het liquidatietarief, vermeerderd met het griffierecht en de kosten van betekening van de beschikking door de deurwaarder en vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de vijftiende dag na de dag van het in deze afte geven beschikking tot aan de dag der algehele voldoening.

in de voorlopige voorziening:

en tevens voor de duur van het geding te bepalen dat de door de man aan de vrouw te

betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang

van 1 juni 2025 op een bedrag van € 264,- per kind per maand wordt gesteld totdat in de

bodemprocedure anderszins is beslist, althans een door de rechtbank in goede justitie te

bepalen tijdelijke bijdrage en ingangsdatum.

2.7

De vrouw is het hier niet mee eens. Zij verzoekt de gevraagde voorlopige voorziening en ook de verzoeken in de bodemprocedure af te wijzen. Indien de rechtbank tot een wijziging van de kinderalimentatie overgaat, dient deze pas gewijzigd te worden vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift van de man (20 augustus 2026). De vrouw verzoekt de rechtbank daarnaast, bij wijze van zelfstandige verzoeken:

  • te bepalen dat de man gehouden is aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 24.993,96, ter zake van de tot en met september 2026 opgebouwde en onbetaald gebleven achterstand in de kinderalimentatie;
  • te bepalen dat de man gehouden is aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 2.300,00 ter zake van de gemaakte verhaalskosten, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
  • te bepalen dat de man vanaf 1 oktober 2026 gehouden blijft de eerder bij beschikking vastgestelde kinderalimentatie van € 506,44 per kind per maand, zijnde in totaal € 1.519,32 per maand, telkens bij vooruitbetaling, aan de vrouw te voldoen, zolang deze alimentatieverplichting niet rechtsgeldig is gewijzigd of beëindigd;
  • te bepalen dat de man wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de door de vrouw gemaakte kosten van rechtsbijstand, alsmede het door de vrouw betaalde griffierecht, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

3 De beoordeling

3.1

De rechtbank zal het verzoek tot het treffende van een voorlopige / provisionele voorziening van de man afwijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

3.2

De man heeft de rechtbank verzocht om een provisionele voorziening te treffen voor de duur van de procedure. Een provisionele voorziening is een noodmaatregel die geldt voor de duur van de procedure tussen partijen. De procedure waar het om gaat, wordt de bodemprocedure genoemd. De rechtbank kan alleen een provisionele voorziening treffen, als is voldaan aan een aantal wettelijke vereisten.[_63104e0b-dcd4-426b-8c7a-859fa3c1af6d] De rechtbank constateert dat niet aan alle vereisten op grond van de wet is voldaan.

3.3

De man heeft niet voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde provisionele voorziening. Van de man kan worden verlangd dat hij het oordeel van de rechter in de bodemprocedure afwacht, omdat uit de overgelegde draagkrachtberekening van de man volgt dat hij € 1.200,- per maand aan draagkracht heeft voor het betalen van kinderalimentatie. De man heeft niet onderbouwd dat er bij hem sprake is van een financiële noodsituatie waardoor het nu noodzakelijke is om een provisionele voorziening te treffen en een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De vrouw heeft beslag gelegd op de appartementen op [locatie], maar dat deze verkocht gaan worden via een executieverkoop is niet gebleken. Gezien het verzoek van de man en het verweer van de vrouw kan nu niet vooruit worden gelopen op de uitkomst van de bodemprocedure.

4 De beslissing

voor de duur van de bodemprocedure

De rechtbank:

4.1

wijst het verzoek van de man in de provisionele voorziening af;

4.2

houdt de verzoeken in de bodemprocedure aan in afwachting van de ontbrekende stukken (zie brief 21 augustus 2026), en de nog te plannen mondelinge behandeling.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

  1. Artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.