Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Midden-Nederland, 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7006Zaaknummer 12375511 \ LV EXPL 26-39
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12375511 \ LV EXPL 26-39
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Kort geding
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
huurachterstand, vordering tot ontruiming afgewezen door gestarte hulpverlening
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 6.600,00 aan achterstallige huur tot en met september 2026, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het verschuldigd worden van de betreffende huurtermijn tot aan de voldoening,
veroordeelt [gedaagde] bij het voortzetten van de huurovereenkomst tot betaling van € 800,00 per maand aan huur vanaf oktober 2026,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.139,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen en in het openbaar uitgesproken op
2 oktober 2026.
41264
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Voorzieningenrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12375511 \ LV EXPL 26-39
Vonnis in kort geding van 2 oktober 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats],
eiser, hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M. van Lith,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats],
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. D.A. IJpelaar.
1 De procedure
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding, met 8 producties;
- vijf producties van [gedaagde];
- de nagekomen producties 9 tot en met 11 van [eiser].
Op 11 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op de locatie van de rechtbank Midden-Nederland in Almere. [eiser] en [gedaagde] waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen hebben hun standpunten op de zitting kunnen toelichten. Mr. IJpelaar heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnota, die hij heeft voorgedragen. De pleitnota is aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting met partijen is besproken.
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 2 oktober 2026 uitspraak zal worden gedaan.
2 De kern van de zaak
[gedaagde] huurt sinds 27 januari 2011 van [eiser] de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). De huurprijs bedraagt € 800,00 per maand. [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. [eiser] vordert daarom in dit kort geding ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand, met rente en kosten. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op betaling van de huurpenningen tot aan het moment dat [gedaagde] de woning daadwerkelijk heeft ontruimd.
3 De beoordeling
De voorzieningenrechter zal de vordering tot ontruiming afwijzen. [gedaagde] moet wel de huurachterstand en de lopende huur, met rente betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de voorzieningenrechter tot dit oordeel komt.
Spoed
Een voorziening in kort geding kan alleen worden toegewezen als de partij die de voorziening vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vorderingen in kort geding, omdat de huurachterstand is opgelopen tot enkele maanden en het er niet naar uitziet dat de huur op korte termijn (volledig) zal worden betaald. Van [eiser] kan daarom niet worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
De huurachterstand moet worden betaald
[eiser] heeft als productie 9 een overzicht van de actuele huurachterstand tot en met juli 2026 overlegd. De huurachterstand bedroeg op dat moment € 9.600,00. Tijdens de zitting heeft [eiser] aangegeven dat ook de huur voor de maanden augustus en september 2026 niet zijn voldaan. Ten tijde van de zitting bedroeg de huurachterstand over de periode van augustus 2025 tot en met september 2026 dus (14 maanden x € 800,00 =) € 11.200,00. [gedaagde] heeft een deel van de huurachterstand inmiddels afgelost. Zij heeft twee kwitanties en een bankafschrift ingebracht, waaruit volgt dat zij twee contante betalingen van € 1.300,00 en € 2.400,00 en een girale betaling van
€ 800,00 heeft gedaan. [eiser] heeft ter zitting aangegeven dat hij de contante betaling van € 2.400,00 niet op de huurachterstand in mindering heeft gebracht, omdat hij er met deze betaling van uitging dat [gedaagde] de geldlening, die ook nog niet was terugbetaald, heeft willen aflossen. [gedaagde] heeft aangegeven dat dat niet terecht is en dat zij met deze betaling drie keer een huurtermijn heeft willen aflossen. Op de kwitantie staat niet aan welke schuld de betaling moet worden toegerekend, de huurachterstand of de geldlening. Artikel 6:43 lid 2 BW bepaalt in dat geval dat de toerekening plaatsvindt op de meest bezwarende verbintenis. Dat is in deze zaak de huurachterstand, omdat [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter een groter belang heeft bij het afbetalen van de huurschuld. De contante betaling van € 2.400,00 moet daarom op de huurachterstand in mindering worden gebracht. Dit betekent dat [gedaagde] € 4.500,00 van de huurachterstand heeft afgelost. [eiser] heeft [gedaagde] in juli 2025 een korting op de huur gegeven van € 100,00. Ook dit bedrag strekt in mindering op de huurachterstand. Dit betekent dat een huurachterstand van (€ 11.200,00 – € 4.600,00 =) € 6.600,00 resteert. [gedaagde] zal dit bedrag aan [eiser] moeten betalen. Ook de gevorderde wettelijke rente is [gedaagde] verschuldigd. De rente wordt toegewezen vanaf het verschuldigd worden van de betreffende huurtermijnen tot aan de dag van voldoening daarvan.
Geen ontruiming
[gedaagde] heeft een flinke huurachterstand van acht huurtermijnen. Die huurachterstand rechtvaardigt in beginsel een ontruiming van de woning, zoals [eiser] vordert. Een ontruiming in kort geding is echter een maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daaraan verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming moet daarom terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een procedure in kort geding geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding. De vordering tot ontruiming in kort geding is alleen toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter die vordering ook zal toewijzen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bodemrechter niet tot een toewijzing zal komen om de hierna volgende reden.
[eiser] heeft [gedaagde] meerdere kansen gegeven om de huur (alsnog) te betalen. Hij heeft geprobeerd om [gedaagde] financieel te helpen door haar geld te lenen en haar een kamer met een lagere huurprijs aan te bieden. Van [eiser] kan niet meer verwacht worden dan dat hij heeft gedaan. [gedaagde] heeft ondanks de hulp van [eiser] de huur niet volledig betaald. [eiser] heeft de huurachterstand in het kader van de vroegsignalering van de Wet Schuldhulpverlening gemeld bij de gemeente. Naar aanleiding van die melding is [gedaagde] hulp bij het oplossen van haar financiële problemen aangeboden. [gedaagde] heeft op 4 september 2026 een plan van aanpak schuldhulpverlening van Maatschappelijke Dienstverlening Flevoland (MDF) ondertekend en op 8 september 2026 is met spoed beschermingsbewind aangevraagd. Bij de rechtbank Midden-Nederland is het beleid dat tussen de vroeghulpsignalering en de dagvaarding tenminste een termijn van twee maanden moet zitten. Deze termijn is gesteld om de hulpverlening de tijd te geven om op gang te komen. [eiser] heeft niet aan die termijn voldaan. Hij heeft op 24 augustus 2026 de melding bij de gemeente gedaan en op
3 september 2026 heeft hij [gedaagde] gedagvaard. Het traject bij MDF en de bewindvoering zijn daardoor nog niet (verder) in gang gezet. Die hulpverlening moet wel een kans krijgen. Dit geldt temeer nu het erop lijkt dat [gedaagde] voldoende inkomsten heeft om de huur te betalen, maar zij niet in staat lijkt te zijn om zelfstandig de keuze te maken om de huur te voldoen, voordat ze andere uitgaven doet. De hulp van MDF en bewindvoering kan haar helpen de juiste financiële keuzes te gaan maken. Volgens [eiser] is [gedaagde] eerder een traject bij MDF aangeboden en heeft zij toen zelf de keus gemaakt om met dat traject te stoppen, maar [gedaagde] betwist dat dat haar keus was. Waarom dat traject eerder niet van de grond is gekomen, is niet duidelijk geworden. Dat kan dan ook geen reden zijn om een nieuw traject bij MDF en de bewindvoering geen kans te geven. [gedaagde] heeft op de zitting de indruk gewekt dat zij nu meer doordrongen is van de noodzaak om mee te werken met de hulp die haar wordt aangeboden om haar financiële situatie op orde te kunnen brengen. De voorzieningenrechter is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat de bodemrechter hoogstwaarschijnlijk niet zal overgaan tot een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.
Dit betekent dat de vordering tot ontruiming zal worden afgewezen. Ook voor een voorwaardelijke ontruiming zoals door [eiser] voorgesteld, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. [gedaagde] mag in de woning blijven wonen. Zij zal de lopende huur dus moeten blijven betalen. De kantonrechter wijst [gedaagde] erop dat zij de kans die haar nu wordt geboden met beide handen moet aanpakken. Als de huurachterstand niet wordt afgelost en/of de lopende huur niet wordt betaald, kan de beslissing op de vordering tot ontruiming een volgende keer voor [gedaagde] nadeliger uitpakken.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van € 785,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 lid 6 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is gelijk aan het op grond van de aanmaning toewijsbare bedrag. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden toegewezen. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met € 164,25 aan btw. Ook de btw is toewijsbaar.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 153,02 | |
| - griffierecht | € | 265,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 577,00 | |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.139,02 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat [eiser] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hoger beroep is ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van [eiser] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De voorzieningenrechter vindt dat in dit geval de belangen van [eiser] bij betaling van de huur zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde]. Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 6.600,00 aan achterstallige huur tot en met september 2026, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het verschuldigd worden van de betreffende huurtermijn tot aan de voldoening,
veroordeelt [gedaagde] bij het voortzetten van de huurovereenkomst tot betaling van € 800,00 per maand aan huur vanaf oktober 2026,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.139,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen en in het openbaar uitgesproken op
2 oktober 2026.
41264
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.