Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Midden-Nederland, 11 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6951Zaaknummer C/16/616430 / JE RK 26-1249
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/16/616430 / JE RK 26-1249
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
verlenging ots
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 12 september 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
MCMK
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/616430 / JE RK 26-1249
Datum uitspraak: 11 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, gevestigd te Utrecht, de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder], de moeder,
wonende in [woonplaats],
[vader], de vader,
wonende in [woonplaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 augustus 2026;
- de brief van de vader van 4 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [A] namens de GI.
De vader is heeft op voorhand laten weten dat hij niet zou verschijnen en zijn mening schriftelijk aan de kinderrechter doorgegeven.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang tot de zittingszaal verleend aan [B], de begeleider van de moeder vanuit het Buurtteam.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Aan het eind van de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van de beslissing.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij zijn vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 september 2026.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De moeder heeft geen moeite met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar heeft weinig vertrouwen in de samenwerking met de jeugdbeschermer.
Uit de brief van de vader volgt dat hij het eens is met het verzoek van de GI.
5 De beoordeling
De beslissing
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van één jaar, dus tot 12 september 2027. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
Ernstige ontwikkelingsbedreiging
Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan (artikel 1:255 jo. 1:260 van het Burgerlijk Wetboek).
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Ondanks de inzet van hulpverlening in het gedwongen kader in het afgelopen jaar blijft [minderjarige] nog steeds zorgelijk gedrag vertonen. Hij gedraagt zich zo oppositioneel, dat het gezag van de vader, de moeder en school blijvend onder druk staat. [minderjarige] laat zich bijvoorbeeld niet aanspreken op zijn gedrag en legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Ook is [minderjarige] regelmatig buiten zonder dat zijn ouders weten waar hij uithangt. Er zijn zorgen over de contacten die [minderjarige] heeft en de daaruit voortvloeiende negatieve beïnvloeding op [minderjarige]. Daarnaast heeft [minderjarige] slecht contact met zijn twee broers. Verder gaat [minderjarige] niet dan wel onvoldoende naar school en bestaan er zorgen over zijn dagbesteding.
Door al deze zorgen is er in maart 2026 een gesprek gevoerd over een uithuisplaatsing van [minderjarige]. De vader heeft daarna aangegeven [minderjarige] toch nog een kans te willen geven. De vader blijft tot de dag van vandaag proberen om de situatie te verbeteren, maar [minderjarige] blijft nog steeds de grenzen opzoeken. Ook in het gesprek met de kinderrechter geeft [minderjarige] voorbeelden van situaties waarin hij vindt dat het raar is dat men niet met hem meedenkt en doet wat hij graag wil. Zo vindt [minderjarige] bijvoorbeeld dat er onvoldoende met zijn wensen over het af en toe wisselen van dagen in de zorgregeling wordt meegedacht, of dat hij wel of niet mee wil gaan op zomervakantie met de vader. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat [minderjarige] zo duidelijk zijn eigen plan trekt en dat ook logisch lijkt te vinden, terwijl hij pas [leeftijd] oud is. Tijdens de zitting is ter sprake gekomen dat [minderjarige] wederom onvoldoende luistert naar de gemaakte afspraken over de zorgregeling en blijkt dat hij regelmatig onverwachts bij de moeder verschijnt, terwijl hij daar dan niet hoort te zijn. Dit is voor de moeder ingewikkeld, omdat zij [minderjarige] ook niet ’s avonds laat buiten wil laten staan. De kinderrechter begrijpt dat dit heel moeilijk is voor de moeder, maar dit zijn wel de gevolgen van de keuzes die [minderjarige] maakt. Het is van belang dat de moeder op dit soort momenten blijft aangeven dat [minderjarige] niet onverwachts bij haar moet verschijnen. Alles samengevat heeft het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] tot gevolg dat er nog steeds veel zorgen zijn over [minderjarige] zijn veiligheid, dagbesteding en algemene ontwikkeling.
Vrijwillig kader ontoereikend
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De samenwerking tussen de moeder en de GI verloopt moeizaam. Er is sinds maart 2026 weinig of geen contact meer tussen hen. Daarnaast blijft [minderjarige] zich oppositioneel opstellen tegenover de GI en de hulpverlening. De vader werkt mee aan de hulpverlening en staat in goed contact met de GI, maar dit is onvoldoende om de situatie te kunnen verbeteren. Het gedwongen kader is daarom nog steeds noodzakelijk. Het is in het belang van [minderjarige] dat de reeds ingezette hulpverleningstrajecten worden voortgezet en dat de jeugdbeschermer betrokken blijft bij het gezin om de regie daarover te blijven voeren. Het is op dit moment nog niet duidelijk wat de schriftelijke uitkomst is van het diagnostiekonderzoek dat is uitgevoerd bij het UMC. Mogelijk dat uit dit onderzoek een behandelplan volgt. In dat geval dient de GI hier ook opvolging aan te geven. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van één jaar, omdat de kinderrechter verwacht dat deze termijn nodig is om voldoende aan de doelen van de ondertoezichtstelling te werken.
Samenwerking met de jeugdbeschermer
Tot slot heeft de kinderrechter zorgen over de samenwerking en dynamiek tussen de huidige jeugdbeschermer en de moeder, maar ook tussen de jeugdbeschermer en [minderjarige]. De wijze waarop het gesprek in maart 2026 over een mogelijke uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden heeft ertoe geleid dat er scheurtjes in de vertrouwensband zijn ontstaan. De kinderrechter begrijpt dat er nog nadere gesprekken gevoerd moeten worden om dit vertrouwen te herstellen. Daarbij is het wel van belang dat de moeder de verantwoordelijkheid neemt om de afspraken daartoe na te komen en niet af te zeggen.
Aanpassing doelen
De kinderrechter past de doelen van de ondertoezichtstelling aan, omdat de ondertoezichtstelling van [C] en [D], de broers van [minderjarige], niet wordt verlengd. De doelen luiden als volgt:
- de ouder-kindrelatie tussen de moeder en [minderjarige] is volledig hersteld;
- de relatie tussen [minderjarige] en zijn twee broers is volledig hersteld;
- de relatie tussen [minderjarige] en de vader is volledig hersteld. [minderjarige] respecteert het gezag en de huisregels van de vader.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 12 september 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
MCMK
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.