Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6866Zaaknummer UTR 26/2676, UTR 26/3288
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/2676, UTR 26/3288
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over twee zaken waarin eiser beroep heeft ingesteld. In de eerste zaak heeft eiser een beroep niet tijdig beslissen ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij dit beroep. In de tweede zaak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de hoogte van de aan hem toegekende aanvullende werkelijke schadevergoeding in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank oordeelt dat dit beroep ongegrond is.
De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak UTR 26/2676 niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser;
- verklaart het beroep in de zaak UTR 26/3288 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
De rechter is verhinderd om te tekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/2676 en UTR 26/3288
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H.M.A. van den Boogaard)
en
de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigden])
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over twee zaken waarin eiser beroep heeft ingesteld. In de eerste zaak heeft eiser een beroep niet tijdig beslissen ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij dit beroep. In de tweede zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de aan hem toegekende aanvullende werkelijke schadevergoeding in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank oordeelt dat dit beroep ongegrond is. De beslissing op bezwaar van Dienst Toeslagen over de aanvullende vergoeding voor werkelijke schade blijft in stand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
Inleiding
Eiser is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. In dat kader heeft eiser voor de jaren 2007, 2009, 2010 en 2011 een compensatiebedrag van € 74.017,- ontvangen.
Eiser meent dat hij meer schade heeft geleden door de problemen met de kinderopvangtoeslag dan het compensatiebedrag dat hij van Dienst Toeslagen (hierna: de Dienst) heeft ontvangen. Daarom heeft hij een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).
De CWS heeft de Dienst op 21 juni 2022 geadviseerd om aan eiser een aanvullende schadeverzoeking van € 25.500,- en een aanvullende materiële schadevergoeding van
€ 3.600,- toe te kennen.
In een besluit van 18 augustus 2022 (het primaire besluit) heeft Dienst Toeslagen overeenkomstig het advies van de CWS besloten. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Op 27 oktober 2023, 2 november 2023 en op 24 september 2024 heeft de Dienst bij CWS een verzoek om nader advies ingediend. Op 13 december 2023 heeft CWS medisch advies gevraagd aan een extern medisch adviseur over de gezondheidsklachten van de echtgenote van eiser in relatie tot de kinderopvangtoeslag.
Op 6 mei 2026 heeft de Dienst een beslissing genomen op het bezwaarschrift en eiser een aanvullende compensatie toegekend van € 189.585,- (het bestreden besluit).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Door eiser zijn nog nadere gronden ingediend, waarna verweerder op 21 september 2026 een reactie daarop heeft ingestuurd.
De rechtbank heeft de beroepen van eiser op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van de Dienst.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep niet tijdig beslissen (UTR 26/2676)
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. Eiser heeft op 25 augustus 2022 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Omdat de Dienst niet binnen acht weken een besluit heeft genomen op dit bezwaar heeft eiser meerdere ingebrekestellingen verstuurd en een herhaald beroep niet tijdig beslissen ingediend.
3. De rechtbank stelt vast dat de Dienst na het instellen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen op 6 mei 2026. Eiser heeft zijn beroep niet ingetrokken. Eiser verzoekt om toekenning van proceskostenvergoeding en terugbetaling van het griffierecht.
4. Eiser heeft geen procesbelang meer bij het beoordelen van zijn beroep in verband met het niet tijdig beslissen. Het beroep in deze zaak is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat eiser het beroep niet ten onrechte heeft ingesteld moet de Dienst het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De Dienst moet deze vergoeding betalen.
Het beroep tegen het bestreden besluit (UTR 26/3288)
5. In deze zaak moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de Dienst de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade niet te laag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Het toetsingskader
Artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) bepaalt dat een aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. Concreet betekent dit dat eiser aannemelijk moet maken dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van de Dienst.[_70d68073-0c8c-4efb-94a1-0a2cee425454]
De Dienst heeft het in deze beroepsprocedure te beoordelen besluit genomen op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht. In dat kader is de CWS aangewezen als adviserende commissie.[_8829de81-3c20-40bc-be1e-be05ec9bf5cd] Aan de CWS is onder meer de taak opgedragen om schadebeoordelingskaders ten behoeve van haar adviestaak op te stellen en aan te passen.[_294ae345-eaf3-424e-b302-18d18ad7fd42] Het schadekader, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold, is neergelegd in ‘De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade’, zoals dit per
1 juli 2024 gold. In dit document is aangegeven hoe de immateriële schade en materiële schade wordt berekend aan de hand van diverse bouwstenen en kostenposten. Dit schadekader heeft de Dienst, in navolging van het advies van de CWS, in het bestreden besluit gehanteerd.
De Dienst heeft de aanvullende werkelijke schadevergoeding gebaseerd op het advies van de CWS. Het advies van de CWS is een deskundigenadvies als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht.[_49386705-5cdf-4e03-bfa2-f7021a1f709d] Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter mag een bestuursorgaan afgaan op een door een deskundige uitgebracht advies, nadat het bestuursorgaan is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
Als een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.
Materiële schade
Inkomensschade: de periode, geen medische eindsituatie, carrièrekansen en vervolgopleiding, minder werken
Eiser voert aan dat de periode waarover zijn inkomensschade wordt vergoed
(1 januari 2018 tot 1 november 2026) onjuist is vastgesteld door de Dienst. De begindatum zou vóór 1 januari 2018 moeten liggen, omdat er toen al sprake was van terugval in inkomen. Daarnaast dient de einddatum na 1 november 2026 te liggen, omdat eiser tot op heden nog steeds arbeidsongeschikt is en pas net met een adequate behandeling is begonnen. In het medisch advies van de deskundige staat dat herstel aanwezig kan zijn, mits adequate behandeling volgt. Een adequate behandeling was eerder niet mogelijk door de kinderopvangtoeslag problematiek, zo stelt eiser. Eiser voert verder aan dat de Dienst ten onrechte niet is uitgegaan van werk/opleiding op Hbo-niveau. Eiser was voornemens om een Hbo-opleiding te gaan volgen. Uit het CV en de interne opleidingen die hij heeft gevolgd blijkt dat hij ambitieus is. De Dienst is gelet op het voorgaande bij de berekening van de inkomensschade ten onrechte uitgegaan van een minimum loonstijging. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij heeft aangetoond dat hij al werk uitvoerde op Hbo-niveau, en dat hij op den duur inkomen had kunnen vergaren op het niveau van salarisschaal 11. Eiser heeft ook aangevoerd dat hij en zijn partner begin 2015 een dag minder zijn gaan werken, omdat de angst voor opnieuw kinderopvangtoeslag aanvragen te groot was. Dit blijkt volgens eiser uit de inkomensgegevens.
De Dienst Toeslagen baseert zich op het advies van de CWS en heeft het advies van de commissie op deze punten grotendeels overgenomen. De CWS heeft geadviseerd om de inkomensschade van eiser over de periode van 1 januari 2018 tot 1 september 2025 te vergoeden. Deze periode is gebaseerd op de inkomensgegevens van eiser, waaruit volgt dat er sprake van was een inkomensachteruitgang vanaf 2018. De CWS vindt het redelijk om er van uit te gaan dat eiser tot 1 september 2025 niet zal kunnen werken vanwege zijn gezondheidsklachten en houdt rekening met een herstelperiode van twee jaar vanaf de datum van het medisch advies. Vanwege het tijdsbestek van het uitbrengen van het medisch advies en het uitbrengen van het nadere advies van de CWS heeft de Dienst het redelijk gevonden de periode van inkomensschade van eiser door te trekken naar 1 november 2026. De CWS heeft verder overwogen dat eiser geen concrete aanwijzingen of stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij plannen had voor het doen van een Hbo-opleiding na zijn Mbo-opleiding en dat hij deze met succes had kunnen afronden. Ook blijkt nergens uit dat een promotie naar schaal 11 in de rede zou hebben gelegen. De CWS acht de kans dat eiser de Hbo-opleiding had afgemaakt en de promotie naar schaal 11 had bewerkstelligd te klein om rekening mee te houden in de inkomensschadeberekening. Met betrekking tot een dag minder werken door eiser en zijn partner heeft de CWS geadviseerd geen bedrag voor inkomensschade te vergoeden. Uit de inkomensgegevens blijkt niet dat bij eiser sprake is van een inkomensdaling in 2015 ten opzichte van eerdere jaren. Uit de inkomensgegevens van de partner volgt verder dat de partner in 2015 een uitkering ontving en geen inkomen uit loon. Niet gebleken is dat de ouder of zijn partner in 2015 minder is gaan werken (of niet werkte) vanwege de kinderopvangtoeslagproblemen.
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Dienst niet had mogen afgaan op het advies van de CWS en overweegt dat het aan eiser is om aannemelijk en concreet te maken dat de CWS van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. Dat heeft eiser niet gedaan. Eiser heeft evenmin stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen dat de CWS van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. De beroepsgronden slagen niet.
Transitievergoeding
Eiser voert aan dat hij de transitievergoeding die hij heeft ontvangen na zijn uitdiensttreding niet op doelmatige wijze heeft kunnen besteden. De transitievergoeding heeft als doel een werknemer de mogelijkheid te bieden te doen wat nodig is om de periode dat hij zonder werk is gekomen te verzachten en te helpen weer inkomen te vergaren. Eiser kwam hier niet aan toe, aangezien hij schulden had ten gevolgde van de kinderopvangtoeslagproblematiek. Eiser had geen inkomen en moest zijn gezin onderhouden van de transitievergoeding. Als de transitievergoeding niet was uitgekeerd, waren bovendien ten gevolge daarvan wellicht meer schulden ontstaan die wel als vergoedbare schade zouden kunnen worden aangemerkt. Eiser stelt daarom zich op het standpunt dat de Dienst de kosten van de transitievergoeding moet vergoeden.
De Dienst stelt dat eiser op dit punt geen compensatie toekomt. Uitgaven voor levensbehoeften dienen altijd te worden gedaan. Daarbij is een transitievergoeding niet bij voorbaat bedoeld om als reserve aan te houden en vormen uitgaven die zijn gedaan om te voorzien in de dagelijkse levensbehoeften geen schadeposten. Daarnaast is eiser voor genoemde jaren volledig gecompenseerd voor verlies aan arbeidsinkomsten zonder dat de transitievergoeding eerst is afgetrokken van deze compensatie.
De rechtbank kan de uitleg van de Dienst volgen en stelt vast dat de Dienst het verzoek tot vergoeding van de materiële geleden schade ook op dit punt correct heeft beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Uitbetaling salaris ex-werkgever
Eiser voert aan dat zijn ex-werkgever zijn salaris over de jaren 2018 en 2019 tijdens zijn ziekte in één keer heeft uitbetaald, waardoor het grootste deel van de inkomsten tegen een hoger belastingtarief is belast dan in het geval hij reguliere inkomsten verspreid over meerdere jaren had genoten. Eiser wil de door hem betaalde extra inkomstenbelasting door de Dienst vergoed hebben.
De Dienst stelt dat deze omstandigheid is toe te rekenen aan de ex-werkgever, zodat belastingschade ten gevolge van het hogere belastingtarief door de ex-werkgever dient te worden vergoed. Eiser heeft binnen de verjaringstermijn de ex-werkgever aansprakelijk kunnen stellen voor de door hem genoemde schade, maar heeft dit nagelaten. Bovendien is het hoogstwaarschijnlijk dat eiser zelf heeft ingestemd met deze wijze van uitbetaling. Daarom is het causaal verband tussen de toeslagenproblematiek en de door de eiser gestelde schade afwezig, dan wel heeft eiser dit causaal verband niet nader onderbouwd.
De rechtbank kan de uitleg van de Dienst volgen en is van oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen het inkomensverlies als gevolg van de uitbetaling van het salaris en de problemen met de kinderopvangtoeslag. De beroepsgrond slaagt niet.
Bedevaartreis naar Mekka
Eiser voert aan dat de kosten die hij heeft gemaakt voor zijn bedevaartsreis naar Mekka dienen te worden vergoed, omdat de reis het doel dat hij hiermee had willen bereiken en het resultaat dat hij mocht verwachten, niet heeft bereikt. De geestelijke verrijking die hij en zijn gezin zochten en verwachtten werd tenietgedaan door de zorgen als gevolg van de kinderopvangtoeslagproblematiek.
De Dienst wijst op het advies van de CWS, inhoudende dat er geen causaal verband bestaat tussen de reis naar Mekka en de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag. Daarnaast merkt de Dienst op dat gedurende de reis en kort na de voltooide reis geen terugvorderingsbeschikkingen naar eiser zijn gestuurd. Het besluit van
4 december 2012, betreffende toeslagjaar 2009, is het eerste besluit dat eiser vijf weken na het voltooien van zijn reis heeft ontvangen. Gelet op het tijdsverloop is niet aannemelijk dat eiser de door hem gestelde schade heeft ondervonden. Eiser heeft zijn schade niet met objectief verifieerbare stukken aannemelijk gemaakt.
De rechtbank kan de uitleg van de Dienst volgen. Eiser heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van deze schadepost. De beroepsgrond slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding
11. Voor de immateriële schadevergoeding werkt de CWS met bouwstenen. De bouwstenen geven per situatie een forfaitair bedrag met een bandbreedte voor de vergoeding van de schade.
Bouwsteen A: Aantasting in de persoon, van de eer en de goede naam
Eiser voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. De Dient miskent de impact van de gezondheidsklachten van eiser ten gevolge van de kinderopvangtoeslagaffaire. Eiser voelde veel schaamte en vernedering. Hij is door de kinderopvangtoeslagaffaire volledig aangetast in zijn eer, persoon en goede naam. Zijn directe omgeving nam het hem ontzettend kwalijk, naast het feit dat cliënt het hemzelf ook kwalijk nam.
Dienst Toeslagen heeft zich gebaseerd op de door CWS uitgebrachte adviezen en acht de adviezen juist en de daaruit getrokken conclusies navolgbaar. Eiser heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt en met feiten en omstandigheden onderbouwd dat de toegekende vergoeding voor immateriële schade ontoereikend is. Daarnaast benadrukt de Dienst dat de terugbetalingen steeds hebben plaatsgevonden nadat de definitieve beschikking kinderopvangtoeslag had plaatsgevonden en deze betalingen door eiser ook hadden moeten worden gedaan als er niet was gehandeld met vooringenomenheid. De definitieve beschikkingen kinderopvangtoeslag zijn namelijk steeds vastgesteld aan de hand van het feitelijk aantal afgenomen opvanguren, het uurtarief per opvang uur en het vastgestelde gezamenlijk toetsingsinkomen van eiser en zijn toeslagpartner.
De rechtbank kan de uitleg van de Dienst volgen en stelt vast dat de Dienst het verzoek tot vergoeding van de immaterieel geleden schade ook op dit punt correct heeft beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Bouwsteen B: Gezinssamenstelling
Eiser voert aan dat het niet rechtvaardig is dat er aan zijn jongste kind geen vergoeding is toegekend. Het feit dat eiser dusdanig ernstig is geraakt door de kinderopvangtoeslagproblematiek en dat dit al over een zeer lange periode speelt en dat er tot op heden geen adequate behandeling heeft plaatsgevonden, maakt dat het niet gerechtvaardigd is voor het jongste kind geen vergoeding toe te kennen. De impact kan weliswaar anders zijn ten tijde van de terugvorderingen, maar dat neemt niet weg dat, zij het op andere wijze, de kinderopvangtoeslagaffaire wel degelijk invloed heeft op de kinderen, zoals het jongste kind. Daarom wordt verzocht een hogere vergoeding toe te kennen voor deze bouwsteen.
Dienst Toeslagen heeft zich gebaseerd op de door CWS uitgebrachte adviezen. De CWS heeft geadviseerd geen compensatie toe te kennen aan het jongste kind, omdat de CWS het niet aannemelijk acht dat het jongste kind een verminderde kwaliteit van leven heeft ervaren door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Op het moment van de eerste compensatiebeschikking (3 maart 2021) was het jongste kind nog niet geboren. Op het moment van de definitieve compensatiebeschikking (1 februari 2022) was het jongste kind ongeveer een half jaar oud.
De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting is tussen partijen discussie ontstaan over de toepassing van het schadekader van de CWS. Eiser heeft aangevoerd dat de Dienst het schadekader geldend vanaf 22 december 2025 had moeten toepassen. In het bestreden besluit is opgenomen dat de Dienst de bezwaren van eiser zowel aan het schadekader van
1 juli 2024 als aan het gewijzigde schadekader van 22 december 2025 heeft getoetst. De Dienst heeft overwogen dat het schadekader van 1 juli 2024 tot een meer gunstige uitkomst leidt voor eiser en dat om die reden dit schadekader is aangehouden. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het voor de vraag die hier voorligt geen verschil welk schadekader wordt toegepast. De CWS heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat het niet aannemelijk is dat de kinderopvangtoeslag problematiek impact heeft gehad op het leven van het jongste kind. In beroep heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat het jongste kind wel een verminderde kwaliteit van leven heeft ervaren. Eiser heeft namelijk geen concrete informatie overlegd over de situatie van het jongste kind. De beroepsgrond slaagt niet.
Bouwsteen C: het inkomen van de ouders in relatie tot de teruggevorderde kinderopvangtoeslag
Bij deze bouwsteen gaat het om de stress en schok die eiser heeft gehad naar aanleiding van de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag. De CWS heeft aan de hand van het schadekader berekend dat aan eiser een vergoeding van € 1.000,- kan worden toegekend. De CWS komt op dit bedrag door de totaal teruggevorderde kinderopvangtoeslag te delen door het totale (gezamenlijke) jaarinkomen in de vier confrontatiejaren.
Eiser voert aan dat bij de berekening van de vergoeding onterecht is uitgegaan van vier confrontatiejaren. Het zou gerechtvaardigd zijn om uit te gaan van drie confrontatiejaren, omdat de laatste terugvorderingsbeschikking dateert van januari 2013. Als die beschikking eerder door de Dienst was verzonden, dan waren er drie confrontatiejaren om mee te rekenen en zou de vergoeding voor eiser hoger uitvallen.
De Dienst heeft ter zitting toegelicht dat de norm is dat per toeslagjaar wordt gekeken. De CWS heeft onderzoek gedaan na de beste wijze van berekening en is hierop uitgekomen. Niet in geschil is dat de berekening conform de methode van de CWS heeft plaatsgevonden. De Dienst stelt daarnaast dat zelfs wanneer wel wordt gerekend met drie in plaats van vier jaren, eiser niet in aanmerking komt voor een hogere vergoeding op grond van deze bouwsteen. Volgens de huidige berekening komt eiser uit op een factor 0,16. Voor een hogere vergoeding zou de berekening boven een factor 0,5 uit moeten komen. Door de CWS is gerekend met een jaarinkomen van € 62.000,-. Bij drie confrontatiejaren zou de berekening zijn: 3 x € 62.000,- = € 186.000,-. Bij eiser is een bedrag van € 39.523,- teruggevorderd. Wanneer dit bedrag wordt gedeeld door het jaarinkomen over drie jaar, levert dat een factor op van: € 39.523,- / € 186.000,- = 0,21.
De rechtbank ziet gelet op het standpunt en de berekening van de Dienst geen aanleiding om eiser te volgen. Er is voor de rechtbank geen reden om van de gebruikelijke berekeningswijze af te wijken. De beroepsgrond slaagt niet.
Verhoogde economische kwetsbaarheid
Eiser stelt dat bij hem sprake is van een verhoogd risico op economische kwetsbaarheid, zoals geldt in letselschadezaken.
De Dienst heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser deze schadepost niet bij zijn aanvraag of in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht, waardoor de Dienst deze schadepost niet in overweging of heroverweging heeft kunnen nemen.
De rechtbank overweegt als volgt. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting erkend dat deze schadepost niet in de bezwaarfase is aangevoerd. De schadepost is daarom ook niet opgenomen in het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank valt deze beroepsgrond daarom buiten de omvang van dit geding.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep in de zaak UTR 26/2676 is niet-ontvankelijk. De rechtbank veroordeelt de Dienst in de door eiser gemaakte proceskosten en het door hem betaalde griffierecht. De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).[_557492b7-e7ef-456a-8499-1df41ef9d544]
17. Het beroep in de zaak UTR 26/3288 is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar van de Dienst over de aanvullende vergoeding voor werkelijke schade in stand blijft. Eiser krijgt daarom in deze zaak het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak UTR 26/2676 niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser;
- verklaart het beroep in de zaak UTR 26/3288 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
De rechter is verhinderd om te tekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620 en de rechtbank Den Haag van 30 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21509.
- Artikel 5.2 van de Wht en de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (hierna: de Instellingsregeling).
- Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Instellingsregeling.
- Artikel 3, tweede lid, aanhef, van de Instellingsregeling.
- Zie bijvoorbeeld Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.