Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 23 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6840Zaaknummer UTR 26/6439

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23 september 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/6439
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek op grond van de Wet open overheid ingediend bij het verweerster, waarin is verzocht om openbaarmaking van documenten die gaan over vier verlengingsaanvragen van toelatingen van producten met de werkzame stof Captan. Verzoek wordt toegewezen op grond van een belangenafweging.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat het [verweerster] het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster
  2. [verweerster]
  3. Samenvatting
  4. Procesverloop
  5. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/6439

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Broeren),

en

[verweerster]

(gemachtigde: mr. M.K. Polano).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het [verweerster] om documenten openbaar te maken. Verzoekster is het daar niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter komt gelet op de principiële aard van het geschil dat partijen verdeeld houdt, niet toe aan een voorlopig oordeel. Gelet op de principiële vraag die voorligt, en omdat openbaarmaking van de documenten van invloed is op het belang van verzoekster, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat dit belang in dit geval zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. [bedrijf] ( [bedrijf]) heeft een verzoek op grond van de Wet open overheid ingediend bij het [verweerster] en verzocht om openbaarmaking van documenten die gaan over vier verlengingsaanvragen van toelatingen van producten met de werkzame stof Captan.

3. Het [verweerster] heeft deze aanvraag met het besluit van 29 juni 2026 toegewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

3.1.

Het [verweerster] heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

3.2.

[bedrijf] is schriftelijk uitgenodigd om deel te nemen aan deze procedure. De rechtbank heeft geen reactie van [bedrijf] ontvangen binnen de daartoe gestelde termijn en [bedrijf] is daarom geen partij in deze procedure.

3.3.

Partijen zijn uitgenodigd voor behandeling van het verzoek op de zitting op 16 september 2026.

3.4.

Verzoekster heeft verzocht om, als dat mogelijk is, het verzoek om voorlopige voorziening buiten zitting toe te wijzen. Verweerder heeft meegedeeld zich niet te verzetten tegen een uitspraak van de rechtbank waarbij de werking van het bestreden besluit tot openbaarmaking wordt opgeschort. Hierop is partijen schriftelijk verzocht om de rechtbank mee te delen of zij op zitting aanwezig zullen zijn. Beide partijen hebben zich afgemeld voor zitting en zijn niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het bestreden besluit

4. In het bestreden besluit beslist het [verweerster] op een verzoek van [bedrijf] om informatie met betrekking tot vier verlengingsaanvragen van toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof Captan. Het [verweerster] heeft na een zoekslag ongeveer 200 documenten aangetroffen. Van deze documenten bleven 89 documenten over die binnen het verzoek vielen. Van deze 89 documenten waren acht al openbaar. Van de overgebleven 81 documenten heeft het [verweerster] besloten om twee documenten geheel openbaar te maken, 21 documenten niet openbaar te maken en 29 documenten openbaar te maken met uitzondering van persoonsgegevens. De overige 29 documenten heeft het [verweerster] besloten deels openbaar te maken. Daarbij heeft het [verweerster] verwezen naar de lijst van documenten en de daarbij genoemde weigeringsgronden. In het bestreden besluit heeft het [verweerster] er ook op gewezen dat de documenten informatie bevatten met bedrijfs- en fabricagegegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Deze informatie gaat deels ook over de samenstelling van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens het [verweerster] is dat informatie over emissies in het milieu, wat betekent dat deze op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo openbaar gemaakt moet worden.

Beoordelingskader

5. In artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo is bepaald dat indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de openbaarmaking wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek is ingetrokken. Verzoekster heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt.

6. De voorzieningenrechter gaat op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht (spoedeisend belang). Zij beoordeelt daarna of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, dat kan reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Daarnaast betrekt de voorzieningenrechter de belangen van partijen, waarbij zij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit.

Spoedeisend belang

7. De voorzieningenrechter vindt dat er sprake is van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat als de documenten waarvan openbaarmaking is verzocht, openbaar zijn gemaakt, deze openbaarmaking onomkeerbaar is. Een bodemprocedure wordt daardoor zinledig. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat de vraag of verzoekster voldoende spoedeisend belang heeft een andere is dan de vraag of haar belangen dusdanig zwaarwegend zijn dat het verzoek ook daadwerkelijk moet worden toegewezen. Die vraag komt later in deze uitspraak aan de orde.

Weigeringsgronden

8. Uitgangspunt van de Woo is ‘openbaar, tenzij’. Een bestuursorgaan maakt bij de toepassing van de relatieve weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo een inhoudelijke afweging tussen het vooropgestelde algemene belang van openbaarheid en de belangen die worden beschermd door de weigeringsgronden. De weigeringsgronden moeten terughoudend (restrictief) worden uitgelegd.

9. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

10. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

11. Op grond van artikel 5.1, zesde lid, van de Woo, blijft het openbaar maken van informatie in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, in geval van milieu-informatie eveneens achterwege voor zover daardoor het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde belang ernstig geschaad wordt en het algemeen belang van openbaarheid van informatie niet opweegt tegen deze schade.

11. Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo zijn het eerste en het tweede lid niet van toepassing op milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu.

Heeft het bezwaar van verzoekster over de bedrijfs- en fabricagegegevens enige kans van slagen?

13. Verzoekster bestrijdt het standpunt van het [verweerster] en voert hierover onder meer het volgende aan. De openbaar te maken gegevens bevatten commercieel gevoelige informatie als bedoeld in artikel 63, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 1107/2009, artikel 39, tweede lid, van Verordening (EG) 178/2002 en artikel 5.1., eerste lid, aanhef en onder c en onder f, van de Woo. Openbaarmaking hiervan brengt de bescherming van de commerciële belangen in het gedrang. Het bestreden besluit is gebaseerd op een standpunt van het [verweerster] dat er bij de verzochte informatie sprake is van informatie over emissies in het milieu. De uitleg van dit begrip is eerder onderwerp geweest van een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, maar volgens verzoekster gaat het in deze zaak om andere gegevens. De vraag of de verzochte gegevens als zodanig moeten worden aangemerkt, is dan ook niet eerder beantwoord, terwijl de beantwoording van die vraag verstrekkende gevolgen heeft voor de betrokken bedrijven en de gehele sector binnen de lidstaten van de Europese Unie. Bovendien wordt verzoekster onevenredig in haar belangen geschaad als er geen voorziening wordt getroffen.

14. De vraag die partijen verdeeld houdt, is de vraag of gegevens over de samenstelling van een gewasbeschermingsmiddel onder het begrip ‘informatie over emissies in het milieu’ vallen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het antwoord op deze vraag zich niet leent voor afdoening door één rechter in een spoedprocedure. De uitkomst van deze procedure zal namelijk zijn schaduw vooruit werpen, omdat het gaat om een principiële vraag die niet alleen de voorliggende procedure raakt. Daarom komt de voorzieningenrechter niet tot een voorlopig oordeel over de slagingskans van het bezwaar en zal zich beperken tot een belangenafweging. De voorzieningenrechter weegt de belangen van partijen, op basis van wat zij hebben aangevoerd in deze procedure, als volgt.

Weging van de belangen

15. Verzoekster heeft gesteld dat zij onevenredig in haar (commerciële) belangen wordt geschaad door openbaarmaking van deze gegevens. Hier staat het belang van openbaarmaking tegenover en in de Woo staat dat belang in beginsel voorop. Bij openbaarmaking echter komt het belang aan de bezwaarprocedure te ontvallen. De voorzieningenrechter acht dit onwenselijk bij dit geschil waarin een principiële vraag aan de orde is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe.

16. Omdat het verzoek wordt toegewezen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de overige gronden van verzoekster.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 29 juni 2026 is geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

17.1.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het [verweerster] het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het [verweerster] moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat het [verweerster] het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.