Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 14 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6804Zaaknummer UTR 26/973
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 14 september 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/973
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Het college heeft de aanvraag voor een zesde parkeervergunning kunnen afwijzen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Er is geen reden om het parkeerbeleid buiten toepassing te laten voor eiseres. Het beroep is ongegrond.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/973
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum
(gemachtigde: mr. B. Kurnaz).
Waar gaat deze zaak over?
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een 'derde bewonersparkeervergunning'. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiseres al vijf parkeervergunningen heeft. Eiseres is het daar niet mee eens omdat tijdens de bezwaarprocedure eerst is toegezegd dat zij wél nog een parkeervergunning zou krijgen en omdat het parkeerbeleid onrechtmatig is. Met het bestreden besluit van 23 januari 2026 is het college bij de afwijzing van de vergunning gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en daarbij meegedeeld binnen welke termijn en bij wie hoger beroep kan worden ingesteld.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Procesverloop
1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Het college heeft terecht aan eiseres geen ‘derde’ parkeervergunning gegeven. Hierna legt de rechtbank uit waarom.
2. De weigering van de vergunning is op zich volgens de regels. Het adres van eiseres, [adres], valt onder de schil waarvoor het is toegestaan om maximaal drie parkeervergunningen te hebben.[_14c33730-80a4-4721-a9f7-99901b7dc7e6] Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie.
Vertrouwensbeginsel
3. Eiseres heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Tijdens de bezwaarprocedure is namens het college eerst toegezegd dat zij nog een parkeervergunning zou krijgen. Dat op dat moment de systemen niet goed zijn gecontroleerd, is iets wat voor rekening van het college moet komen. De zoon van eiseres heeft de parkeervergunning nodig omdat hij zijn werkauto moet kunnen parkeren.
4. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen.[_f83c6ba7-f92c-498f-a31d-727e406b4c2d] Aan de eerste twee stappen wordt voldaan; dat wordt ook niet betwist. De vraag is dan of wordt voldaan aan de derde stap. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen aan het toekennen van de bewonersparkeervergunning op in verband met gewekt vertrouwen in de weg staan. Het gaat dan niet per se om de belangen van de zoon van eiseres, maar het gaat om de gevolgen van de toezeggingen die zijn gedaan. Stel dat er door de toezegging een auto was gekocht, dan was er concreet gehandeld door de toezegging. In dit geval is het gewekte vertrouwen een paar dagen geweest en eiseres heeft niet daarnaar gehandeld. Daarom vindt de rechtbank dat het belang van het college en de andere bewoners zwaarder weegt dan het belang van eiseres om op basis van het vertrouwensbeginsel de parkeervergunning te krijgen.
Parkeerbeleid
5. Verder heeft eiseres gezegd dat haar zoon onevenredig hard wordt getroffen door de toepassing van het parkeerbeleid. Eiseres voert in dat verband een aantal argumenten aan die hierna worden besproken.
6. De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank in beginsel niet het parkeerbeleid kan toetsen. Het college kan beleid maken, maar daar staat geen bezwaar of beroep tegen open.[_2e3b49bf-8524-4b6e-91a8-cfe50bc45813] De bestuursrechter kan wel in een concrete zaak toetsen of de toepassing van het beleid zo onevenredig hard uitpakt dat het beleid in die concrete zaak buiten toepassing gelaten moet worden.
7. Eiseres voert aan dat bewoners een paar straten verderop wel vrij hun auto kunnen parkeren, omdat zij net buiten het betaald parkeren gebied vallen. De rechtbank overweegt dat ergens een grens moet liggen, dat er mensen zijn die dichtbij die grens wonen, hoort bij het maken van een parkeerbeleid. Dat er aan de overkant van de straat wel vrij geparkeerd kan worden is niet in strijd met het discriminatiebeginsel. Die wijk is namelijk niet dezelfde wijk als de wijk waar eiseres met haar gezin woont. Daarnaast biedt het haar zoon, of een andere gezinslid, toch de kans in de buurt te parkeren.
8. Eiseres heeft ook aangevoerd dat het werken van haar zoon onmogelijk wordt gemaakt. De rechtbank begrijpt dat het onhandig is dat niet in de straat geparkeerd kan worden met een parkeervergunning, maar dit kan ook worden opgelost met een algemene parkeervergunning. Het college heeft toegelicht dat deze parkeervergunning duur is, zodat er een financiële drempel is voor mensen om een auto te parkeren. Er is dus wel een reële optie om de algemene parkeervergunning te betalen als de zoon van eiseres dichtbij wil parkeren. Voor zover er wel geparkeerd moet worden aan de overkant van de straat, merkt de rechtbank op dat andere gezinsleden daar kunnen parkeren als het voor de jongste zoon van eiseres onprettig is om daar te parkeren. De stap om te zeggen dat het niet verlenen van de parkeervergunning ervoor zorgt dat de zoon van eiseres niet kan werken, is te groot.
9. De rechtbank begrijpt dat het vervelend voelt dat er in de straat een vergunningensysteem is ingevoerd, terwijl er nooit parkeerdruk is ervaren. Het college heeft echter voldoende uitgelegd waarom het gebied voor betaald parkeren gelijk is uitgebreid voor een groot gebied. Ook heeft een andere rechter het parkeerbeleid in een eerdere uitspraak al goedgekeurd. Als naar de straat gekeken wordt, dan zijn drie auto’s (of vijf auto’s) voor één huishouden al erg veel, dat zou nooit passen als elk huishouden dat zou willen. De grens van drie parkeervergunningen is dan ook niet gek.
10. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beleid in het geval van eiseres niet buiten toepassing gelaten hoeft te worden. Dit bekent dat eiseres geen zesde parkeervergunning krijgt.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Dat volgt uit de Parkeerverordening Hilversum 2025 en artikel 2, vierde lid, van de 1e wijziging nadere regels Parkeervergunningen 2025.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2606, en van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2226.
- Dat volgt uit artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.