Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 1 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6800Zaaknummer UTR 25/6878

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
1 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 25/6878
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 2.58 Wet brp. Afwijzing verzoek om aanvulling geboortedatum. College heeft van eiser mogen vragen om een Marokkaanse Copie intégrale van zijn geboorteakte over te leggen en was niet gehouden om de IND te verzoeken om een mededeling als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet Brp. Ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Het bestreden besluit
  5. De gronden van beroep
  6. Juridisch kader
  7. Conclusie en gevolgen
  8. Beslissing
  9. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/6878

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.G.J. van Kerkhof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigden: mr. E. Chahid en M.T. Puertas).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 4 november 2024 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) de registratie van zijn geboortedatum van ’ [geboortedag 1] -1956’ te wijzigen in ‘ [geboortedag 2] -1956’.

1.1.

Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van het college deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft zich voor de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser is geboren in Marokko en staat in de brp in Nederland ingeschreven met de geboortedatum [geboortedag 1] -1956. Deze registratie is blijkens het besluit gebaseerd op de Marokkaanse geboorteakte die eiser op 10 oktober 2000 heeft overgelegd. Eiser heeft op 4 november 2024 een verzoek ingediend om zijn geboortedatum aan te vullen met ‘ [geboortedag 2] -1956’ dan wel met ‘ [geboortedag 3] -1956’. Eiser heeft hiertoe een kopie van zijn paspoort overgelegd.

Het bestreden besluit

3. Het college heeft het verzoek om aanvulling van de registratie in de brp afgewezen, omdat eiser geen hoogst mogelijk brondocument heeft overgelegd. Eiser heeft geen Copie intégrale van zijn Marokkaanse geboorteakte overgelegd met daarin een kantmelding hoe de aanvulling van zijn geboortedatum tot stand is gekomen. Eiser heeft ook niet aangetoond dat het voor hem onmogelijk is om die route in het land van herkomst te doorlopen. Daarom wordt niet toegekomen aan de procedure van artikel 2.17 van de Wet brp om de gegevens te corrigeren.

De gronden van beroep

4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. Eiser voert aan dat hij veel hinder ondervindt van de vreemde vermelding van zijn geboortedatum in zijn Nederlandse paspoort. In Arabische landen wordt eiser hierover extra ondervraagd en hij mag de Verenigde Arabische Emiraten daarom niet meer in. Ook is het moeilijk om via internet een vliegticket of hotelovernachting te boeken en kan eiser geen abonnementen afsluiten. Volgens eiser mag het college de eis van een Copie intégrale met kantmelding niet stellen. Nu eisers geboortedatum niet kan worden ontleend aan een brondocument als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet brp, had het college in dit geval een mededeling als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet brp aan de IND moeten vragen. Omdat eiser in Marokko is geboren (en niet bijvoorbeeld in Somalië of Afghanistan) kan eiser zijn geboortegegevens niet op grond van artikel 1:25c BW door de rechtbank Den Haag laten vaststellen. Deze rechtbank verwijst personen met een Marokkaanse achtergrond door naar de woongemeente om daar met toepassing van artikel 2:17 Wet Brp een verzoek om aanvulling te doen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 15 juli 2015[_c7082c3a-1011-47ff-bb40-20c714404ca4] bepaald dat ook personen die vóór de invoering van de Wet brp op 6 januari 2014 al waren ingeschreven, kunnen verzoeken om onbekende gegevens te laten aanvullen met een mededeling van de IND. De Vereniging van Burgerzaken heeft daarvoor een modelprocedure ontwikkeld. Nu in dit geval geen brondocumenten als bedoeld in artikel 2.8 Wet Brp voorhanden waren, had het college volgens eiser deze procedure moeten volgen en een mededeling moeten opvragen bij de IND. Eiser stelt dat alle andere gemeenten in Nederland dergelijke verzoeken toewijzen, maar alleen de gemeente Utrecht niet, wat voor eiser onbegrijpelijk is. Eiser concludeert dat het bestreden besluit daarom niet zorgvuldig is genomen en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd.

Juridisch kader

5. Op grond van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

5.1.

Op basis van artikel 2.17 van de Wet Brp worden bij de inschrijving van een vreemdeling de gegevens over de geboortedatum, die niet als zodanig kunnen worden opgenomen overeenkomstig artikel 2.8 van de Wet Brp, ontleend aan een mededeling van de minister van Justitie en Veiligheid (minister) voor zover deze gegevens door hem zijn vastgesteld in het kader van de toelating van de betrokkene tot Nederland.

5.2.

Op grond van artikel 2.58, eerste lid, in samenhang met artikel 2.53, eerste lid, van de Wet brp wordt een verzoek om rectificatie gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente.

Heeft het college het correctieverzoek terecht afgewezen?

6. De rechtbank stelt voorop dat het college, bij een verzoek om rectificatie van de persoonsgegevens op grond van artikel 2.58 van de Wet Brp, wanneer deze gegevens niet afkomstig zijn uit Nederland, zich kan baseren op de in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet Brp vermelde brondocumenten. Hierin is een rangorde te onderscheiden: het brondocument zoals vermeld onder sub a is van hogere orde dan het brondocument onder sub b en c, die hoger zijn dan het brondocument zoals vermeld onder sub d, dat weer hoger is dan het brondocument zoals vermeld onder e. In de Memorie van Toelichting[_24c125d2-c791-40a2-89c8-b41f7dac336a] (MvT) bij de Wet Brp staat over artikel 2.17 van de Wet Brp vermeld dat pas aanleiding bestaat om “de door de IND vastgestelde gegevens op te nemen in de basisregistratie als zij (nog steeds) niet op grond van de artikelen 2.8 en 2.15 van de Wet Brp vastgesteld kunnen worden”.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn verzoek om zijn geboortedatum in de brp te corrigeren, alleen een geldig Nederlands paspoort heeft overgelegd. In dat paspoort staat als geboortedatum van eiser vermeld: “ [geboortedag 1] 1956’. Hoewel dat paspoort een brondocument is als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp, volgt daaruit niet dat zijn geboortedatum zoals geregistreerd in de brp onjuist is. De geboortedatum in het paspoort is immers gelijk aan de geboortedatum, waarmee eiser volgens het besluit eerder in de brp in Nederland is ingeschreven.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, om zijn geboortedatum in de brp te kunnen aanvullen, een Marokkaanse Copie intégrale van de geboorteakte had moeten overleggen. Zo’n Copie intégrale is voldoende om de geboortedatum te laten aanvullen mits in de kantmelding staat hoe die aanvulling tot stand is gekomen. In principe kan dat op basis van een gerechtelijk vonnis in Marokko. Op de zitting heeft het college toegelicht heeft dat de ervaring leert dat zo’n document in Marokko betrekkelijk eenvoudig en binnen een redelijke termijn is te verkrijgen. Het college neemt in die gevallen de aanvulling van de geboortedatum van de Copie intégrale ook altijd over. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college van eiser mag verlangen dat hij in Marokko een procedure start om een Copie intégrale met aantekening van een rechterlijke Marokkaanse uitspraak over de aanvulling van zijn geboortedatum te verkrijgen. Eiser heeft niet met bewijsstukken onderbouwd of op een andere wijze aangetoond dat het voor hem onmogelijk is om die procedure in Marokko te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank was het college daarom ook niet gehouden om de IND te verzoeken om een mededeling als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet Brp omtrent de geboortedatum van eiser. Zoals hiervoor al is overwogen is dat pas aan de orde als vast staat dat geen document als bedoeld in artikel 2.8 voorhanden is of kan komen. Eisers betoog slaagt daarom niet.

7. Eisers stelling dat alle andere gemeenten in Nederland dergelijke correctieverzoeken in de brp wel toewijzen, maar alleen de gemeente Utrecht niet, kan niet tot een ander oordeel leiden. Eiser heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd met bewijstukken. De verwijzing naar de beslissing van 22 september 2025 van de gemeente Eindhoven die eiser in bezwaar heeft overgelegd ziet op een verzoekster waarvan de geboortedatum al door de minister was vastgesteld in het kader van haar toelating tot Nederland. Deze situatie doet zich bij eiser niet voor, zodat geen sprake is van gelijke gevallen.

8. Dat eiser persoonlijk problemen ondervindt van de onvolledige registratie van zijn geboortedatum, leidt evenmin tot een ander oordeel. Een belangenafweging is niet aan de orde, omdat de Wet brp geen ruimte laat om een wijziging door te voeren als niet aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan.[_0c798812-53cb-44ca-8b4a-ed09e6c63711]

9. Het voorgaande betekent dat het college niet gehouden was om op zijn verzoek de geboortedatum in de brp op de door hem gewenste wijze aan te vullen. Het college heeft het correctieverzoek dus terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het correctieverzoek van eiser terecht is afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. ECLI:NL:RVS:2015:2215.
  2. Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 38, 126 en 127
  3. zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1673.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.