Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 14 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6761Zaaknummer UTR 26/5417
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/5417
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het beroep dat eiser heeft ingesteld is ongegrond. Het door hem gemaakte bezwaar is door de staatssecretaris terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet was gericht tegen een besluit in de zin van de Awb.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5417
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in hoedanigheid van hoofd medische dienst van de Penitentiaire Inrichting (PI) [locatie].
Inleiding
In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de staatssecretaris van 4 mei 2026.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
- Eiser heeft op 14 oktober 2025 een verzoek gericht aan het hoofd van de medische dienst van de PI [locatie] om ‘inzage in zijn medische gegevens en alle relevante correspondentie’. Dit verzoek is door het hoofd van de medische dienst opgevat als een verzoek om inzage in zijn medisch dossier.
- Het hoofd van de medische dienst heeft eiser laten weten dat hij recht heeft op inzage in zijn medisch dossier. Op 3 december 2025 is het medisch dossier verzonden aan de huisarts van eiser.
- Eiser heeft op 10 maart 2026 bezwaar gemaakt, kort gezegd omdat hij van mening is dat niet zijn volledige medische dossier is verstrekt. Eiser vindt ook dat de staatssecretaris hem een dwangsom is verschuldigd. Bij besluit van 4 mei 2026 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is.
- Van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is sprake als het bestuursorgaan een schriftelijke beslissing heeft genomen en die schriftelijke beslissing een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt.
- Op een verzoek om inzage in een medisch dossier is de regelgeving over de overeenkomst inzake de geneeskundige behandeling, zoals neergelegd in Afdeling 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van toepassing. Dat maakt het verzoek van eiser een privaatrechtelijke aangelegenheid. Van een publiekrechtelijke rechtshandeling is geen sprake. Gelet hierop is de reactie van het hoofd van de medische dienst op eisers verzoek om inzage geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat eiser hiertegen geen bezwaar kon maken en dat de staatssecretaris het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is kennelijk ongegrond.
- Eiser heeft in beroep weliswaar aangevoerd dat zijn verzoek van 14 oktober 2025 te beperkt is opgevat, maar de rechtbank is van oordeel dat dat verzoek terecht is opgevat als een verzoek om inzage in het medische dossier; een medisch dossier bestaat immers uit medische gegevens en correspondentie van medici. Het door eiser vervolgens ingediende bezwaarschrift lijkt zich ook enkel te richten tegen de onvolledigheid van het medische dossier.
- Over de gestelde onvolledige inzage in zijn medisch dossier kan eiser uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter instellen.
- Omdat geen bezwaar gemaakt kan worden, is ook de regelgeving in de Awb over het niet-tijdig beslissen en het verbeuren van een dwangsom niet van toepassing. De staatssecretaris heeft om die reden terecht geoordeeld dat hij eiser geen dwangsom is verschuldigd.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.