Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 11 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6759Zaaknummer UTR 25/1767
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/1767
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep niet tijdig is niet-ontvankelijk want het bestuursorgaan is niet in gebreke gesteld. Er is inmiddels inhoudelijk beslist. Het beroep zou gericht kunnen zijn tegen het inhoudelijke besluit, maar eiser is het daarmee eens. De rechtbank doet geen uitspraak vanwege de principiële betekenis daarvan. Daarom richt het beroep zich niet tegen dit besluit. Tot slot oordeelt de rechtbank dat er geen spanning en frustratie wordt aangenomen, zodat het beroep om schadevergoeding redelijke termijn wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1767
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad
(gemachtigde: mr. J.M, Luttge).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar. De rechtbank beoordeelt ook of dat beroep gericht kan zijn tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar dat het college op 5 maart 2025 op grond van de Wet open overheid (Woo) heeft genomen.
Omdat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is en het beroep niet is gericht tegen het besluit van 5 maart 2025, doet de rechtbank uitspraak zonder een zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
Beroep tegen het uitblijven van een besluit
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar van 25 juli 2024. Dat bezwaar is gericht tegen het besluit van 17 juni 2024 en ook tegen het wijzigingsbesluit van 2 oktober 2024. In deze besluiten heeft het college naar aanleiding van het Woo-verzoek van eiser van 20 april 2024 documenten over het project Buitenhof gedeeltelijk openbaar gemaakt.
3. Eiser kan op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb beroep instellen tegen het uitblijven van een besluit als er twee weken zijn verstreken ná de dag waarop hij het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke heeft gesteld.
4. Het college stelt zich op het standpunt dat het nooit een ingebrekestelling van eiser heeft ontvangen.
5. Eiser heeft bij zijn beroepschrift van 1 maart 2025 een ingebrekestelling van 6 februari 2025 gevoegd. De rechtbank heeft eiser in een brief van 27 juli 2026 verzocht om te onderbouwen dat hij deze ingebrekestelling aan het college heeft gestuurd. Eiser heeft in reactie hierop in een e-mailbericht van 21 augustus 2026 geantwoord dat hij geen oude correspondentie gericht aan de rechtbank kan overleggen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser hiermee niet heeft onderbouwd dat hij de ingebrekestelling van 6 februari 2025 aan het college heeft gestuurd. Het gaat er namelijk niet om dat eiser moet aantonen dat hij het stuk aan de rechtbank heeft toegestuurd, maar dat hij aantoont dat hij het college op 6 februari 2025 schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Daarin is hij niet geslaagd.
7. Uit de gedingstukken blijkt verder dat eiser op 17 juli 2024 een ingebrekestelling aan het college heeft gestuurd. De rechtbank heeft onderzocht of die ingebrekestelling kan gelden als ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dat is niet het geval, omdat het college op 17 juli 2024 nog niet in gebreke was om te beslissen op het bezwaar van 17 juni 2024. Het college had daar nog een aantal weken de tijd voor.
8. Ook de ingebrekestelling van 4 oktober 2024 merkt de rechtbank niet aan als een ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, omdat daaruit niet blijkt dat eiser het college heeft gemaand om op zijn bezwaar te beslissen. Eiser lijkt er in zijn brief van 4 oktober 2024 vanuit te gaan dat er tussen hem en het college een civielrechtelijke overeenkomst is gesloten in het kader waarvan hij het college in gebreke kan stellen. Dit is geen ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
9. De rechtbank komt tot de slotsom dat eiser het college niet in gebreke heeft gesteld. Dat maakt dat hij geen rechtsgeldig beroep kon indienen tegen het niet tijdig beslissen en dat het door hem ingediende beroep dus kennelijk niet-ontvankelijk is.Beroep gericht tegen het besluit van 5 maart 2025
10. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
11. Hoewel het beroep tegen het niet-tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is, gaat de regel van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wel op. Een andere uitleg zou kunnen leiden tot een gebrek aan rechtsbescherming, omdat eiser kan hebben aangenomen dat er van rechtswege een beroep is ontstaan tegen het besluit van 5 maart 2025 en dat het dus niet nodig was om een rechtsmiddel in te stellen tegen dat besluit.[_1eae81eb-2dfb-4ce9-9b29-c869ab2f57af] In beginsel is er dus sprake van een beroep, behalve als het besluit geheel aan het beroep tegemoet komt.
12. De rechtbank heeft eiser in een brief van 12 maart 2025 verzocht om een te geven of hij het wel of niet eens is met het besluit op bezwaar van 5 maart 2025. Eiser heeft in reactie daarop in een brief van 11 april 2025 bericht dat hij alle door hem opgevraagde stukken inmiddels heeft ontvangen. Hij is desondanks niet bereid om het beroep in te trekken, omdat hij een oordeel van de rechtbank wil over de handelwijze van het college in de bestuurlijke fase. Volgens eiser is het besluitvormingsproces namelijk niet zorgvuldig doorlopen. In een brief van 5 juli 2025 heeft eiser toegelicht dat hij een gebrek aan medewerking heeft ervaren van de kant van het college, dat een belangrijk document pas na de hoorzitting is gevonden, dat hij een afzonderlijke procedure heeft moeten instellen om tot een vaststellingsovereenkomst te komen en dat hij die procedure heeft verloren vanwege een gebrek aan medewerking van het college. Eiser wil daarom een principiële uitspraak van de rechtbank over het handelen van het college voor zichzelf en met het oog op de toekomst.
13. De rechtbank stelt vast dat eiser zich geheel kan vinden in de inhoudelijke afronding van het Woo-verzoek. Hij geeft aan dat hij de gevraagde documenten heeft ontvangen en hij heeft geen inhoudelijke argumenten aangevoerd waarin het besluit van 5 maart 2025 onjuist of onrechtmatig zou zijn. Omdat de juridische uitkomst van de procedure in het geheel niet wordt betwist, heeft eiser dus geen enkel inhoudelijk belang bij zijn beroep tegen het besluit van 5 maart 2025.
13. Wat eiser wil bereiken met zijn beroep staat los van de inhoud van het besluit van 5 maart 2025. De rechtbank is echter niet bevoegd om buiten de grondslag van het besluit van 5 maart 2025 een oordeel te geven over de gang van zaken tijdens de bestuurlijke fase. Zij doet geen uitspraak alleen vanwege de principiële daarvan voor de indiener of voor anderen.[_521bb81f-1203-456c-a821-4170e2490f31] Eiser moet een eigen, actueel en reëel belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep hebben - bijvoorbeeld dat hij méér documenten of meer delen van documenten openbaar gemaakt wil zien - en dat ontbreekt in dit geval. Dit alles leidt tot de conclusie dat er inhoudelijk tegemoet is gekomen aan het beroep en dat het beroep in dit geval dus niet is gericht tegen het besluit van 5 maart 2025. Overschrijding redelijke termijn
15. Eiser heeft tot slot in zijn brief van 21 augustus 2026 gesteld dat de lange duur van deze procedure, zowel in de bestuurlijke als in de gerechtelijke fase, consequenties moet hebben.
16. Voor zover eiser hiermee een beroep doet op overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en schadevergoeding wil, overweegt de rechtbank het volgende.
16. Uit rechtspraak van de Afdeling,[_517df05e-96d6-451e-8c4e-71d2f9df81b4] waarin wordt verwezen naar de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over de uitleg van artikel 6 van het EVRM,[_247a64db-5542-4c27-a6ba-3140b6fa4ab0] volgt dat dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.
18. De rechtbank oordeelt dat in dit geval sprake is zulke bijzondere omstandigheden. Er ligt een beroep tegen het niet-tijdig beslissen. Er is binnen een week na het indienen van dat beroep alsnog op het bezwaar van eiser beslist. Tegen het inhoudelijke besluit dat het college heeft genomen heeft eiser geen gronden gewend, zodat dit besluit verder niet ter discussie staat. Er ligt dus niets waarover de rechtbank een oordeel kan geven. Spanning en frustratie over de lange duur van de procedure kan in zo’n geval niet worden aangenomen.[_a017386f-c93c-4401-8305-f6e22e4cc1bc] De rechtbank zal dan ook geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toewijzen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.