Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 17 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6756Zaaknummer UTR 26/146

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17 september 2026
Publicatiedatum
19 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/146
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

BNT UHT aanvraag cws gegrond. Beslistermijn niet verlengd, ingebrekestelling niet prematuur. Brief verlenging beslistermijn niet ontvangen door eiseres. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de brief daadwerkelijk is aangeboden aan de postbezorger.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;- draagt verweerder op uiterlijk 27 januari 2027 een besluit op de aanvraag bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.

De rechter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [woonplaats] (Duitsland), eiseres
  2. Dienst Toeslagen, verweerder
  3. Inleiding
  4. Overwegingen
  5. Beslissing
  6. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/146

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] (Duitsland), eiseres

(gemachtigde: mr. I. Mercanoglu),

en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld op 23 december 2025, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 22 april 2025 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade. Bij brief van 18 juni 2025 is de ontvangst van de aanvraag bevestigd door verweerder.

Op 23 januari 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Overijssel, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van eiseres te beslissen.[_f5a3c4ca-307f-47d5-ba5e-7d23189ec511]

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.[_9abe787e-fc8a-4770-8f99-868427f76649] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.[_a95045f2-e22b-4a9a-964c-651dd8683ca7]

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de ingebrekestelling prematuur is verzonden. Volgens verweerder is de beslistermijn namelijk bij brief van 14 oktober 2025 verlengd tot 22 april 2026. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 27 oktober 2025 ontvangen, terwijl de verlengde beslistermijn op dat moment nog niet was verstreken.

4. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zowel hij als eiseres de brief van 14 oktober 2025 niet hebben ontvangen. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat een bestuursorgaan bij niet aangetekende verzending aannemelijk moet maken dat de brief is verzonden. Verweerder heeft dit niet gedaan. Uit de overgelegde administratie kan niet worden opgemaakt dat de brief van 14 oktober 2025 daadwerkelijk aan de postbezorger is aangeboden. Ook zijn er geen omstandigheden waaruit blijkt dat eiseres of haar gemachtigde deze brief wel zou moeten hebben ontvangen.

5. Dat betekent dat de rechtbank niet uit kan gaan van de brief van verweerder van 14 oktober 2025 en de daarin opgenomen verlenging van de beslistermijn. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat de beslistermijn niet is verlengd. Eiseres heeft de aanvraag op 22 april 2025 ingediend. Verweerder had binnen zes maanden moeten beslissen op de aanvraag van eiseres. De beslistermijn was dus verlopen toen verweerder de ingebrekestelling op 27 oktober 2025 heeft ontvangen. Het betoog van verweerder dat de ingebrekestelling prematuur is en het beroep niet-ontvankelijk is, slaagt daarom niet.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 27 oktober 2025 in gebreke is gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 23 december 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag.

7. Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen

8. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.[_42e2433d-2d9f-48c8-8d63-de2346b9db46] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.[_72eecded-4ff0-493f-ac60-5d2f5707e169]Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.

9. In haar uitspraak van 27 juli 2026[_445324a9-a5d2-40b8-afcb-10a9eb1f2de3] heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 66 weken na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar deze uitspraak.

10. In dit geval betekent dit het volgende. Eiseres heeft op 22 april 2025 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De wettelijke beslistermijn van zes maanden eindigde op 22 oktober 2025. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op de aanvraag bekend moet maken is dus 27 januari 2027.

11. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijn niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 27 juli 2026.Bestuurlijke dwangsom

12. Eiseres heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.[_e058272b-6e50-4741-8e5f-75b38d4bfda0]

13. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke is.Proceskosten en griffierecht

14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 934,-.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 53,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;- draagt verweerder op uiterlijk 27 januari 2027 een besluit op de aanvraag bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.

De rechter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.