Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 1 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6755Zaaknummer UTR 26/5692
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/5692
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
BNT UHT SGH. Aanmelding bij SGH schort de beslistermijn niet op. Tevens geen schriftlijke instemming van eiser met opschorting van de beslistermijn.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;- draagt verweerder op uiterlijk 15 juli 2027 een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5692
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (België), eiser
(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 9 april 2025 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Op 15 juni 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op een zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.[_75c70adf-7ea9-4a0b-8162-e09584733be9] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.[_5a5f8d89-ac7f-4956-a973-cf5ff3635e1a]
2. Eiser heeft bij brief van 1 juni 2026 beroep ingesteld, omdat hij stelt dat verweerder niet tijdig een beslissing op zijn aanvraag heeft genomen.
Het standpunt van verweerder
3. Verweerder stelt in zijn verweerschrift dat eiser op 9 april 2025 een aanvraag heeft ingediend om aanvullende compensatie bij de commissie werkelijke schade (CWS) en dat de beslistermijn is verdaagd met zes maanden tot 9 april 2026. Eiser heeft zich op 26 maart 2026 via het aanmeldportaal aangemeld voor een andere aanvullende schaderoute via stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). In het aanmeldportaal heeft eiser volgens verweerder toestemming gegeven om de beslistermijn voor een verzoek om aanvullende schadevergoeding bij de CWS op te schorten. Door deze opschorting is eiser niet langer in afwachting van een besluit van de CWS. Het beroep is daarom volgens verweerder niet-ontvankelijk.
4. Tijdens de zitting heeft verweerder nader toegelicht dat de opschorting van de beslistermijn volgt uit artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Awb. Verweerder heeft bij de CWS gevraagd om stukken waaruit blijkt dat eiser schriftelijk heeft ingestemd met het opschorten van de beslistermijn, maar deze stukken heeft verweerder (nog) niet ontvangen. Desondanks is er volgens verweerder sprake van een geldige opschorting en is het beroep niet-ontvankelijk.
Procesbelang
5. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder zo dat verweerder bedoelt te betogen dat eiser ermee heeft ingestemd dat er (nog) geen besluit wordt genomen, omdat hij zich heeft aangemeld bij de SGH, heeft ingestemd met het opschorten van de beslistermijn en deelname aan de SGH-route is gericht op een vaststellingsovereenkomst waarin finale kwijting is opgenomen. Daardoor komt eiser niet meer in aanmerking voor aanvullende schadevergoeding via de CWS. Daarmee verdraagt zich niet dat eiser tegelijkertijd een beroep niet tijdig beslissen indient, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van verweerder. De rechtbank begrijpt hieruit dat verweerder bedoelt dat eiser geen procesbelang heeft, omdat hij vanwege de aanmelding bij de SGH niet langer in afwachting is van een besluit.
6. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank legt dat hierna uit.
7. Voor zover eiser ermee heeft ingestemd dat nog geen besluit wordt genomen, is dat iets waarop hij kan terugkomen. Eiser heeft met zijn aanmelding bij de SGH zijn aanvraag niet ingetrokken en verweerder is dus nog steeds gehouden om daarop te beslissen. Dat eiser zich heeft aangemeld voor een alternatief schadetraject, betekent niet dat hij niet meer kan verlangen dat verweerder beslist op zijn aanvraag. Uit het feit dat eiser een beroep niet tijdig beslissen heeft ingediend bij de rechtbank, leidt de rechtbank af dat eiser wil dat verweerder ook daadwerkelijk beslist. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat eiser geen procesbelang heeft.
8. Daarbij komt dat de CWS sinds eind februari 2026 geen aanvragen meer behandelt, tenzij het gaat om ouders waarvan in ieder geval het eerste gesprek bij de CWS is ingepland. Aan gedupeerde ouders die zich al hebben aangemeld voor aanvullende compensatie bij de CWS is gevraagd of zij via het aanmeldportaal willen overstappen naar een van de twee alternatieve schaderoutes, namelijk de SGH of MijnHerstel.[_8656b982-ad6f-4d0c-9dab-f55362b86860] Beide routes worden afgesloten met een vaststellingsovereenkomst.[_7b4cfa54-cd03-4f76-b8b0-2680af7e7539] Ouders worden daarmee gestuurd naar een civiele route, waarbij zij geen mogelijkheid hebben om voortgang in het traject te bevorderen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026[_169969b7-3e77-4b2c-a0f3-caf0f3b45228]. Daarmee rijst de vraag in hoeverre eiser zich vrijwillig heeft aangemeld bij de SGH. Ook daarom is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat eiser zich heeft aangemeld voor een alternatief schadetraject en – volgens verweerder – ermee heeft ingestemd dat (nog) geen besluit wordt genomen, onvoldoende is voor het oordeel dat eiser geen belang heeft bij het beroep niet tijdig beslissen. Als de rechtbank zou oordelen dat eiser geen procesbelang heeft bij het beroep niet tijdig beslissen, zou dat immers ertoe leiden dat eiser geen mogelijkheid heeft om op te komen tegen het niet nemen van een besluit op zijn aanvraag, terwijl hij tegelijkertijd in het alternatieve schadetraject ook niet kan opkomen tegen het uitblijven van een vaststellingsovereenkomst. Daarmee zou eiser geen enkel instrument hebben om ervoor te zorgen dat zijn aanvraag wordt afgehandeld en zou de rechtbank eiser de rechtsbescherming onthouden waarop hij recht heeft.
9. De omstandigheid dat de route via de CWS niet meer mogelijk is, leidt niet tot een ander oordeel. Het is immers niet de CWS, maar verweerder die een besluit moet nemen. Eiser was en is dus niet in afwachting van een besluit van de CWS. Eiser is in afwachting van een besluit van verweerder.
10. De rechtbank begrijpt dat een eventueel gegrond beroep tegen het niet tijdig beslissen ertoe leidt dat verweerder binnen een door de rechtbank bepaalde nadere beslistermijn alsnog moet beslissen en dat dit de SGH-route kan bemoeilijken, omdat hiervoor dan mogelijk minder tijd beschikbaar is. Dat is echter geen omstandigheid die ertoe leidt dat eiser geen belang heeft bij het beroep niet tijdig beslissen. Bovendien staat het partijen nog steeds vrij om ook na een eventueel gegrond beroep tegen het niet tijdig beslissen een vaststellingsovereenkomst te sluiten.
Het beroep tegen niet tijdig beslissen
11. Eiser heeft op 9 april 2025 een aanvraag ingediend om aanvullende compensatie van werkelijke schade. Verweerder heeft de beslistermijn verdaagd tot 9 april 2026. Eiser heeft zich voor het einde van de beslistermijn, namelijk op 26 maart 2026 aangemeld bij de SGH. Volgens verweerder heeft eiser toen ook schriftelijk ingestemd met het opschorten van de beslistermijn als bedoeld in artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb. Gelet op wat de rechtbank hiervoor onder 7 en 8 heeft overwogen, volgt de rechtbank niet het verweer van verweerder dat de beslistermijn is opgeschort en daardoor niet is verstreken. Bovendien heeft verweerder geen document overgelegd waaruit blijkt dat eiser schriftelijk heeft ingestemd met opschorting van de beslistermijn. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de beslistermijn eindigde op 9 april 2026. De rechtbank stelt vast dat die beslistermijn is verstreken.
12. Bij brief van 20 april 2026, ontvangen door verweerder op 22 april 2026, is verweerder in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 1 juni 2026, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
13. Het beroep is gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
14. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.[_46b6219c-7af7-4f26-bcf6-e8d57d0b68c8] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.[_56c932f1-cbd9-4ee0-873b-ca41b08ed3df]Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
15. In haar uitspraak van 27 juli 2026[_74066037-90b1-4473-9c74-35c28ae59a7a] heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 66 weken na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar deze uitspraak.
16. In dit geval betekent dit het volgende. Eiser heeft op 9 april 2025 een aanvraag ingediend en de wettelijke beslistermijn eindigde op 9 april 2026. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op de aanvraag bekend moet maken is dus 15 juli 2027.
17. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijn niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 27 juli 2026.
Proceskosten en griffierecht
18. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;- draagt verweerder op uiterlijk 15 juli 2027 een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.