Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 16 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6719Zaaknummer C/16/616113

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16 september 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/16/616113
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlengen ondertoezichtstelling omdat ondertoezichtstelling niet alleen toeziet op contactherstel met andere ouder

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] tot 3 oktober 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 door mr. A.M.J. van der Weide, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.D.J. Esders als griffier, en op schrift gesteld op 2 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/616113 / JE RK 26-1215

Datum uitspraak: 16 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 2],

[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 3],

[minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2021 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 4].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. S. Karami,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. E.J. Coxon.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 10 augustus 2026;
  • het bericht van de moeder met bijlage, ontvangen op 11 september 2026;
  • het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 15 september 2026;
  • het bericht van de moeder met bijlage, ontvangen op 16 september 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat en zijn kantoorgenoot mr. A.C.F. Jelijs;

- de moeder met waarnemend advocaat A.Azauiyat;

- [A.] en [B.] namens de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben daarover een gesprek met de kinderen gehad. [minderjarige 3] heeft een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4].

2.2.

De kinderen wonen bij hun moeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 oktober 2024 [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 3 oktober 2026.

3 Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De moeder is het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Volgens haar bestaan er over de kinderen geen zorgsignalen meer. Deze ondertoezichtstelling zou dan alleen nog toezien op de omgang met de vader. Daar is een ondertoezichtstelling niet voor bedoeld. Door en namens de moeder is primair verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen, omdat niet aan de wettelijke gronden is voldaan en de hulpverlening verder in het vrijwillig kader opgepakt kan worden. Subsidiair verzoekt de moeder om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van zes maanden om onnodige vertraging van het proces te voorkomen.

4.2.

De vader is het wel eens met het verzoek. De vader heeft nog steeds geen contact met de kinderen. En volgens hem is er geen enkele reden om het contactherstel tussen de kinderen en de vader in de weg te staan. De vader wil zijn kinderen graag weer zien en hoopt dat de ondertoezichtstelling hier aan kan bijdragen. De vader wil graag dat er een onderscheid gemaakt gaat worden in het plan voor contactherstel tussen de vier kinderen. Er kan nu nog niet vastgesteld worden of het wel of niet in het belang van de kinderen is dat er contactherstel komt, omdat er nog geen kans is geweest om te bezien hoe de kinderen reageren.

5 De beoordeling

De beslissing

5.1.

De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengen voor de duur van een jaar, te weten tot 3 oktober 2027. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

De toelichting

5.2.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[_aaf762e2-550c-43a6-8e61-913202ccf21c] De ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wordt nog steeds ernstig bedreigd, onder andere omdat zij nog steeds geen contact met hun vader hebben. De moeder heeft gesteld dat er in de jurisprudentie hoge eisen worden gesteld aan een ondertoezichtstelling die zich nog slechts richt op omgang / contactherstel met een ouder. Aan deze hoge eisen wordt volgens de moeder niet voldaan. De kinderrechter is het niet met de moeder eens. In deze ondertoezichtstelling speelde er op het moment van de eerste ondertoezichtstelling meer dan alleen een contactbreuk tussen vader en de kinderen. Immers, ook de situatie bij de moeder leverde een ontwikkelingsbedreiging op. Er waren zorgen over de belastbaarheid van de moeder, de contactbreuk met vader én de eigen problematiek van de kinderen, die samen een ontwikkelingsbedreiging vormden. Deze ontwikkelingsbedreiging is naar het oordeel van de kinderrechter nog steeds aanwezig. Alhoewel het sinds het begin van de ondertoezichtstelling beter lijkt te gaan met de kinderen en er ook positieve ontwikkelingen zijn, is de noodzakelijke hulpverlening nog niet voldoende ingezet. Ook moet nog verder worden onderzocht waar de angst die de kinderen voor de vader hebben- en die de kinderen ook hebben uitgesproken in hun gesprek met de kinderrechter- vandaan komt.

5.3.

Hulpverlening van praktijk [naam 1] was lange tijd betrokken om het contact tussen de vader en de kinderen mogelijk te herstellen. Deze hulp is onvoldoende van de grond gekomen. [naam 1] heeft zich vooral gericht op hulp aan de moeder, waardoor er voor de kinderen te weinig aandacht is geweest. De hulpverlening van [naam 1] is om die reden dan ook geëindigd. Nu is [naam 2] recent ingezet om dit opnieuw te onderzoeken. De kinderen en de ouders zijn daarvoor aangemeld en hebben een intake gehad. Dit traject zit op dit moment nog in de opstartfase.

5.4.

De hulpverlening kan niet in het vrijwillig kader plaatsvinden, omdat in het verleden is gebleken dat de moeder de hulpverlening niet altijd accepteert. Dat dat nu anders is, is heel fijn maar ook nog pril. De regie van de GI, en daarbij de mogelijkheid om bij te sturen, is nog nodig de komende tijd. Daarbij is er op geen enkele wijze contact tussen de ouders, wat de situatie ook kwetsbaar maakt voor de kinderen. Tenslotte is het feit dat er nog altijd geen begin is gemaakt met herstel van contact met de vader iets wat niet in het vrijwillig kader kan worden opgelost. De kinderrechter is van oordeel dat het komende jaar duidelijk moet worden in hoeverre contactherstel haalbaar en in het belang van de kinderen is.

5.5.

De vader wil graag dat de GI niet alle vier de kinderen op dezelfde wijze meeneemt in haar visie en plannen voor contactherstel. De vader heeft met alle vier de kinderen een andere band gehad in het verleden. De jongste, [minderjarige 4], was zes maanden oud toen de ouders uit elkaar gingen. [minderjarige 4] heeft in zijn beleving en herinneringen waarschijnlijk geen vader meegemaakt. Voor hem kan het contact met de vader mogelijk eenvoudiger worden hersteld dan voor de anderen. Voor de andere drie kinderen is het immers een ander verhaal. Zij waren ouder toen de vader en moeder uit elkaar gingen en hebben veel met hun ouders meegemaakt. De kinderrechter is het met de vader eens dat voor ieder kind afzonderlijk bekeken moet worden of, en zo, ja op welke manier contactherstel kan plaatsvinden. Dit kan betekenen dat voor [minderjarige 4] op korte termijn korte begeleide contactmomenten moeten worden geïnitieerd. Dit moet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogelijk anders worden ingekleed, omdat zij ouder zijn en zelf heel duidelijk hebben aangegeven geen contact met de vader te willen. Ook voor [minderjarige 3], die bijzondere zorg nodig heeft, moet mogelijk op een andere wijze worden ingezet op contactherstel met de vader. De kinderrechter vraagt de GI om de komende periode de (on)mogelijkheden hiervoor te onderzoeken.

5.6.

De doelen van de ondertoezichtstelling zijn dan als volgt:

- de moeder krijgt draagkracht om weer in contact te komen met de vader;

- de ouders hervatten het contact met elkaar en komen in het belang van de kinderen tot een gedeelde waarheid;

- [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kunnen naar het verleden kijken en aan hun vader denken zonder daarbij dusdanige angst, boosheid of verdriet te voelen dat het hun ontwikkeling in de weg staat;

- er vindt contactherstel plaats tussen de vader en de kinderen;

- alle kinderen moeten individueel onderzocht worden of en zo ja op welke manier het contactherstel met de vader kan vorm worden gegeven.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] tot 3 oktober 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 door mr. A.M.J. van der Weide, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.D.J. Esders als griffier, en op schrift gesteld op 2 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 1:260 BW.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.