Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 25 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6631Zaaknummer UTR 26/2562

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25 september 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/2562
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Parkeervergunning bewoners. Parkeerplaatsenverordening 2014 Utrecht. Evenredigheidsbeginsel. Het adres van eisers voldoet niet meer aan de parkeernorm bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Nadere Regel dat er op het eigen terrein “voldoende ruimte is voor het parkeren van eerste en/of volgende auto’s” en staat daarom ten onrechte op de Adressenlijst. De plaatsing van het adres van eisers op de Adressenlijst is daarmee niet geschikt en effectief voor het bereiken van de noodzakelijke parkeerdoelen. Bij een zodanig gedetailleerd parkeerbeleid, waarbij wordt uitgegaan van vaste parkeernormen mogen bewoners ervan uitgaan dat het college bij de uitgifte van parkeervergunningen zich ook aan die parkeernormen houdt. De rechtbank is van oordeel dat plaatsing van het adres op de Adressenlijst is te kwalificeren als een concretiserend besluit van algemene strekking. Dit betekent dat het college het verzoek van eisers ook had moeten opvatten als verzoek om hun adres van de Adressenlijst te verwijderen en op dat verzoek een besluit had moeten nemen. Beroep gegrond.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het college binnen zes weken een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt het college op het griffierecht van € 54,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.

griffierrechter

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Waar gaat de zaak over?
  5. Heeft het college de juiste parkeernorm toegepast?
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Proceskosten en griffierecht
  8. Beslissing
  9. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2562

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigden: mr. F.P. van der Bilt en mr. T. Vos).

Procesverloop

1. Eisers hebben op 20 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een bewonersvergunning parkeren. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 maart 2026 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?

2. Eiser zijn sinds 2024 bewoners van het adres [straat] [nummer], een appartementencomplex dat is getransformeerd van kantoorpand naar woningen. De omgevingsvergunning hiervoor is verleend op 9 maart 2018. Op basis van deze vergunning is het adres van eisers opgenomen in de Adressenlijst uitsluiting parkeervergunning(en) Utrecht (hierna: de Adressenlijst). Bij het appartementencomplex zijn 76 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen worden door de verhuurder alleen verhuurd aan bewoners van de vrijesectorwoningen. Omdat eisers huurders zijn van een middenhuurwoning kunnen zij geen parkeerplek huren.

3. Het college heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat op grond van de geldende parkeernorm in de Nota Parkeernormen 2021 er voldoende parkeerplekken zijn gerealiseerd op het parkeerterrein bij het appartementencomplex. Eisers komen daarom niet in aanmerking voor een parkeervergunning in de openbare ruimte.

4. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de gevraagde parkeervergunning. Zij voeren aan dat het college een onjuiste parkeernorm heeft gehanteerd. Het college is uitgegaan van de norm van zone B1 (betaald parkeren), terwijl het adres op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning nog viel onder zone B2 (vrij parkeren) en de Nota Parkeernormen 2013[_fe795342-9a67-4c2b-9101-1faf881fb894] van toepassing was. Volgens eisers had het college daarom voor hun aanvraag moeten uitgaan van de parkeernorm horend bij parkeerzone B2 van 148,6 parkeerplekken, zoals die gold op het moment van de vergunningverlening. Daar komt bij dat de parkeernorm B1 mede is vastgesteld op basis van deelmobiliteit, terwijl de deelauto’s in april 2025 zijn opgeheven. Volgens het college worden de parkeernormen niet periodiek herberekend, terwijl de invoering van betaald parkeren wel heeft geleid tot een reductie van het aantal parkeerplekken. Eisers verwijzen naar het ‘Memo Raadsvragen parkeren [.] ’ uit 2021[_64fa6ec5-0a0d-402e-8b6d-b492b321f4c6], waarin staat dat een reductie van 13 vanwege de realisatie van extra fietsparkeerplekken fors is. Eisers menen dat het college daarom bij het nemen van het besluit had moeten nagaan of nog wordt voldaan aan de huidige uitgangspunten van de parkeernorm.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Heeft het college de juiste parkeernorm toegepast?

6. Eisers hebben hun aanvraag ingediend op 20 oktober 2025. Dat betekent dat de regelgeving van toepassing is die gold ten tijde van die aanvraag. Dat zijn:

  • de Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren 2014 (Parkeerplaatsenverordening 2014), en;
  • de Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen 2020 van de gemeente Utrecht (Nadere Regel).
6.1.

Op grond van de Parkeerplaatsenverordening 2014 kan het college op schriftelijke aanvraag een parkeervergunning aan een bewoner verlenen. In de Nadere Regel zijn nadere regels gesteld voor het verlenen van parkeervergunningen.

6.2.

Voor eisers aanvraag is artikel 6, vierde lid, van de Nadere Regel van toepassing. Op grond van dat artikel kan het college bij nieuwbouw en sloop/nieuwbouw en functiewijzigingen van gebouwen, waarvoor vóór 1 april 2019 een omgevingsvergunning is uitgegeven, adressen aanwijzen waar bewoners en bedrijven niet in aanmerking komen voor een eerste of volgende parkeervergunning. Deze adressen kunnen worden geplaatst op de Adressenlijst als, voor zover hier relevant:

“bij deze adressen een gezamenlijke parkeervoorziening is gerealiseerd op eigen terrein, waar op grond van de Nota Parkeernormen auto voldoende ruimte is voor het parkeren van eerste en/of volgende auto’s (…).”

Lid 5 bepaalt dat er geen eerste of tweede parkeervergunning wordt verleend voor een adres dat op de Adressenlijst staat.

6.3.

Ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning viel het adres van eisers onder parkeerzone B2 gebied. Sinds 2021 valt het adres van eisers onder parkeerzone B1 gebied. De rechtbank is van oordeel dat het college bij het bepalen of het adres van eisers op de Adressenlijst geplaatst kon worden, de parkeernormen voor B1 gebied mocht toepassen. Dat zijn de parkeernormen die golden op het moment dat betaald parkeren op het [straat] werd ingevoerd. De toets die op dat moment werd uitgevoerd voor het plaatsen van het adres op de Adressenlijst is een andere toets dan die in 2018 werd uitgevoerd in het kader van het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit is ook in lijn met het gelijkheidsbeginsel: voor andere adressen in het gebied die op de Adressenlijst zijn geplaatst geldt namelijk ook dat getoetst is aan de parkeernormen voor het B1-gebied.

Is de afwijzing van de parkeervergunning onevenredig?

7. Eisers voeren aan dat de beslissing tot afwijzing van de parkeervergunning voor hen onevenredig nadelige gevolgen heeft en daarom in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eisers zijn als middenhuurders feitelijk al uitgesloten van een parkeerplek op eigen terrein omdat de eigenaar deze alleen verhuurt aan de huurders van de vrijesectorwoningen. Maar door de plaatsing van het adres op de Adressenlijst komen zij evenmin in aanmerking voor een parkeervergunning in de openbare ruimte.

8. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dit is het evenredigheidsbeginsel.

9. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft een beoordelingskader voor toetsing van besluiten aan het evenredigheidsbeginsel.[_ba0aef18-de5a-457e-8866-644150b3c498] Bij het toetsen aan het evenredigheidsbeginsel dient onderscheid gemaakt te worden tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van het overheidsbesluit.

10. De rechtbank stelt vast dat de inhoud van de Nadere regel niet wordt betwist. Eisers kunnen zich niet vinden in de plaatsing van hun adres op de Adressenlijst. De rechtbank zal daarom beoordelen of het bestreden besluit om voor eisers vast te houden aan deze beleidsregel in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

11. De Nadere regel is een uitwerking van artikel 3a van de Parkeerverordening 2014, op grond waarvan het college nadere regels stelt voor de wijze waarop de ontwikkeling en evaluatie van het gemeentelijk parkeer- en deelmobiliteitsbeleid plaatsvindt. Doel van de Nadere regeling is om de parkeerdruk in het openbare gebied te beperken door geen parkeervergunningen te verstrekken aan adressen die zelf over voldoende parkeerruimte beschikken. Maar dat doel wordt niet meer bereikt als het adres zelf niet (meer) over voldoende parkeerruimte beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank is inmiddels sprake van een situatie dat het adres waar eisers wonen niet (meer) over voldoende parkeerruimte beschikt. De rechtbank licht dat hierna toe.

12. Uit het Memo Raadsvragen volgt dat de parkeerbehoefte voor het gebouw aan het [straat] door de ontwikkelaar aan wie de vergunning is verleend, is berekend op 92 parkeerplaatsen voor de bewoners. Naar de rechtbank begrijpt staat dat ook niet ter discussie tussen partijen. Daar zijn 22 parkeerplekken van afgetrokken: 13 parkeerplaatsen in verband met de aanwezige fietsparkeervoorziening en 9 parkeerplaatsen vanwege de aanwezigheid van drie deelauto’s (92 - 22 = 70). In totaal zijn er 76 parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig. Het college concludeert daarom dat er in de berekende parkeerbehoefte is voorzien.

13. Het staat echter vast dat de deelauto’s er niet meer waren ten tijde van de vergunningaanvraag van eisers. Iedere aanwezige deelauto leidde tot een correctie van drie auto’s op de parkeerbehoefte. Als die correctie wordt weggedacht moet de parkeerbehoefte van 92 auto’s alleen worden gecorrigeerd met 13 plekken vanwege de voorziening voor fietsparkeren. Dat leidt tot een parkeerbehoefte van 79 auto's, terwijl er in werkelijkheid 76 parkeerplekken zijn. Zo berekend is er dus sprake van een tekort van 3 parkeerplekken. Dit betekent dat het adres van eisers niet meer voldoet aan de parkeernorm bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Nadere Regel dat er op het eigen terrein “voldoende ruimte is voor het parkeren van eerste en/of volgende auto’s” en dus ten onrechte op de Adressenlijst staat. De plaatsing van het adres van eisers op de Adressenlijst is daarmee niet geschikt en effectief voor het bereiken van de noodzakelijke parkeerdoelen.

14. Het college heeft op de zitting gesteld dat het adres waarschijnlijk ook op de Adressenlijst was geplaatst als toen al duidelijk was dat de parkeerbehoefte volgens de parkeernorm B1 groter was dan het aantal beschikbare plaatsen. Daarin volgt de rechtbank het college niet omdat dit niet in lijn is met het gemeentelijk parkeerbeleid, zoals dat is opgenomen in de eerdergenoemde regelgeving. Dat er ‘voldoende ruimte’ is voor parkeren is niet hetzelfde als dat er ‘min of meer voldoende ruimte is’. Bij een zodanig gedetailleerd parkeerbeleid, waarbij wordt uitgegaan van vaste parkeernormen mogen bewoners ervan uitgaan dat het college bij de uitgifte van parkeervergunningen zich ook aan die parkeernormen houdt. De rechtbank is van oordeel dat het college daarmee de noodzaak en de evenredigheid van de plaatsing op de Adressenlijst onvoldoende heeft onderbouwd. De weigering van de parkeervergunning op grond van de Nadere regel is daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond van eisers slaagt.

Is plaatsing op de Adressenlijst een concretiserend besluit van algemene strekking?

15. Een concretiserend besluit van algemene strekking bevat geen zelfstandige normstelling, maar houdt slechts de toepasselijk verklaring/concretisering in van een in een algemeen verbindend voorschrift vervatte rechtsnorm. Het toepassingsbereik van een norm uit een algemeen verbindend voorschrift kan op verschillende manieren worden geconcretiseerd, namelijk naar tijd, plaats of object, en mogelijk ook naar persoon. Als een besluit moet worden gekwalificeerd als een concretiserend besluit van algemene strekking is het mogelijk om daartegen bezwaar en beroep in te stellen.[_2d01304b-33a1-452f-9bcf-49c57dff0cc2]

16. De rechtbank is van oordeel dat plaatsing van het adres op de Adressenlijst is te kwalificeren als een concretiserend besluit van algemene strekking. Dit betekent dat het college het verzoek van eisers ook had moeten opvatten als verzoek om hun adres van de Adressenlijst te verwijderen en op dat verzoek een besluit had moeten nemen. Het college heeft dat ten onrechte niet gedaan. Het beroep is ook daarom gegrond. De rechtbank draagt het college op om op dit verzoek nog een besluit te nemen.

Conclusie en gevolgen

17. Gelet op het oordeel onder punt 13, 14 en 16 is het beroep gegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid en artikel 7:2 van de Algemene wet Bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat het college nog een besluit moet nemen op eisers verzoek om hun adres van de Adressenlijst te verwijderen. De rechtbank bepaalt daarom dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Proceskosten en griffierecht

18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het college binnen zes weken een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt het college op het griffierecht van € 54,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.

griffierrechter

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Nota Parkeernormen Fiets en Auto van de gemeente Utrecht, december 2013.
  2. Memo van 16 april 2021 van [A] van [advocatenkantoor] en [B] van [adviesbureau] aan de raadsgriffier.
  3. Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
  4. Zie de conclusie van de Staatsraden Advocaat-Generaal mr. G. Snijders en mr. R.J.G.M. Widdershoven van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:764.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.