Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 31 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6496Zaaknummer UTR 26/2578
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 31 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 24 september 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/2578
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen Utrecht. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een parkeervergunning voor bewoners in de openbare ruimte. Het college van burgemeester en wethouders heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser in een nieuwbouw appartement woont waarvoor na 1 april 2019 een omgevingsvergunning is afgegeven. In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het besluit van het college niet onevenredig is. Het beroep is ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2578
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,
(gemachtigden: mr. T. de Vos en M. Brouwers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college de aanvraag van eiser om een parkeervergunning voor bewoners mocht afwijzen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag mocht afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een parkeervergunning voor bewoners. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 januari 2026 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 februari 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
5. Het college heeft de aanvraag van eiser om een parkeervergunning voor bewoners afgewezen, omdat eiser in een appartementencomplex woont waarvoor na 1 april 2019 een omgevingsvergunning is uitgegeven. Het adres van eiser komt daarom niet in aanmerking voor een parkeervergunning voor bewoners in de openbare ruimte. Het appartementencomplex heeft namelijk een parkeergarage. Er is volgens het college geen sprake van een schrijnende situatie of individuele omstandigheden waardoor van de regels moet worden afgeweken.
Het standpunt van eiser
6. Eiser vindt het niet evenredig dat het college een verschil maakt tussen nieuwbouw en oudbouw bij het wel of niet verlenen van een parkeervergunning voor het parkeren in de openbare ruimte. Eiser wijst erop dat bewoners van oudbouw in [locatie] tot wel drie parkeervergunningen kunnen krijgen terwijl eiser daarvan is uitgesloten, omdat hij in een nieuwbouw appartementencomplex woont. Dit terwijl in de parkeergarage bij eisers woning maar vijfenzeventig parkeerplekken beschikbaar zijn voor de tweehonderd appartementen in het complex. In de parkeergarage is dus een structureel tekort aan parkeerplekken voor de bewoners van het appartementencomplex. Ook wijst eiser erop dat in zijn (directe) woonomgeving geen sprake is van een hoge parkeerdruk en dat er in korte tijd veel extra parkeerplekken zijn aangelegd door de komst van een nieuw parkeerterrein. Verder vindt eiser het niet evenredig dat hij als gevolg van het bestreden besluit hoge kosten heeft omdat hij zonder een parkeervergunning moet betalen om zowel zijn eigen auto als de tweede auto van zijn verloofde te parkeren. Eiser huurt een parkeerplek in de garage van zijn appartementencomplex en zijn verloofde moet in de directe omgeving van zijn woning van 06.00 tot 11.00 uur betaald parkeren. Ten slotte voert eiser aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat het besluit is genomen twee dagen na de hoorzitting. Het college heeft daarom onvoldoende inhoudelijk gereageerd op de bezwaren die tijdens de hoorzitting naar voren zijn gebracht.
7. Het college heeft in het bestreden besluit per ongeluk informatie opgenomen die niet op eiser van toepassing is. Het college heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat dit een fout is en dat deze passages niet zien op eiser. Eiser heeft naar aanleiding van deze toelichting de beroepsgrond over die passages ingetrokken.
Het oordeel van de rechtbank
Evenredigheid
8. De rechtbank stelt voorop dat voor het appartementencomplex van eiser na 1 april 2019 een omgevingsvergunning is uitgegeven. Uit artikel 6, vierde lid en onder a, van de Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen Utrecht (Nadere regel) volgt dat bewoners van dergelijke nieuwbouw niet in aanmerking komen voor een bewonersparkeervergunning. Deze Nadere regel heeft als doel om te voorkomen dat de extra parkeerbehoefte die ontstaat door nieuwbouw wordt afgewenteld op de openbare ruimte. De bestaande parkeergelegenheid in een bepaalde parkeerzone is namelijk ingericht op de al bestaande bebouwing (de oudbouw) en de hoogte van de parkeerdruk en niet op de extra parkeerbehoefte die ontstaat door nieuwbouw. Het college geeft de omgevingsvergunning voor nieuwbouw in principe dan ook alleen uit als er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. Het minimumaantal te realiseren parkeerplaatsen is afhankelijk van de parkeernorm die geldt in de parkeerzone. Het college onderkent dat als gevolg van die parkeernorm er niet altijd voor alle huishoudens in het appartementencomplex een parkeerplaats moet zijn gerealiseerd. Dit kan ertoe leiden dat sommige huishoudens in een nieuwbouwwoning niet beschikken over een parkeerplaats op eigen terrein en ook zijn uitgesloten van een parkeervergunning in de openbare ruimte. Terwijl bewoners van oudbouw op grond van de regels nog wel over een – of soms zelfs meerdere – vergunningen voor het parkeren in de openbare ruimte kunnen beschikken. Naar het oordeel van de rechtbank is de differentiatie die de Nadere regel met zich brengt tussen bewoners die in een nieuwbouwwoning wonen en bewoners van oudbouw in dezelfde parkeerzone, niet onredelijk gelet op het doel daarvan.
9. De rechtbank begrijpt dat eiser het als oneerlijk ervaart dat hij wordt uitgesloten van een parkeervergunning in de openbare ruimte terwijl hij in zijn directe omgeving een lage parkeerdruk ziet en er een nieuw parkeerterrein is aangelegd. Maar dit leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij merkt de rechtbank op dat het college er ter zitting op heeft gewezen dat in de omgeving van het appartementencomplex van eiser nog steeds wordt gewerkt aan nieuwbouw en er ook parkeerruimte wordt gecreëerd voor de bezoekers van de bewoners van de nieuwbouw. Wat eiser in de omgeving aan ontwikkelingen en parkeerdruk ziet en daarover naar voren heeft gebracht, betekent op zichzelf dan ook niet dat het doel van de Nadere regel zoals hierboven verwoord, niet langer als een redelijk doel kan worden aangemerkt.
10. Verder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in het geval van eiser niet onevenredig is. Vaststaat dat eiser een parkeerplaats huurt op het eigen terrein van zijn appartementencomplex. Dat eiser voor het parkeren van zijn auto en die van zijn verloofde kosten moet maken, is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat het bestreden besluit onevenredig is. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de kosten voor het parkeren zodanig hoog zijn dat de afwijzing in dit geval onevenredig is.
Onzorgvuldige totstandkoming van het bestreden besluit
11. Verder is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig tot stand gekomen, alleen omdat het bestreden besluit twee dagen na de hoorzitting is genomen. De rechtbank constateert dat het college in het bestreden besluit heeft verwezen naar wat eiser tijdens de hoorzitting heeft gezegd en als punten naar voren heeft gebracht. Het bestreden besluit gaat daar ook nader op in. Eiser heeft niet concreet gemaakt op welke bezwaren het college niet heeft gereageerd of welke punten in de hoorzitting niet of onvoldoende zijn betrokken.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag om een parkeervergunning voor bewoners in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.