Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 20 augustus 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6403Zaaknummer C/16/615069 / JE RK 26-1118

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Publicatiedatum
18 september 2026
Zaaknummer
C/16/615069 / JE RK 26-1118
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing; uitvoering door LET-Jeugdbescherming; toetsing Raad o.g.v. artikel 1:265j lid 3 BW; afwijking kinderrechter van advies Raad voor wat betreft verlengingsduur van de maatregelen

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] tot 2 september 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 2 september 2027;

6.3.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) tot 2 september 2027;

6.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026 door mr. A.G. van Doorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.F. van Loon als griffier, en op schrift gesteld op 27 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. De beslissing
  7. 6 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/615069 / JE RK 26-1118

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, hierna te noemen: de GI,

gevestigd in Utrecht,

voor welke instelling het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming, hierna te noemen: het LET-JB, op dit moment is belast met de feitelijke uitvoering van de beschermingsmaatregel,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen [minderjarige 2].

[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2021 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen: [minderjarige 3],

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C.I. Veenstra,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.M. Bissumbhar,

Pleegouders [minderjarige 1],

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Gezinshuisouders [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

hierna te noemen: de gezinshuisouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026;
  • de toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming, ontvangen op 11 augustus 2026;
  • de brief van de advocaat van vader, ontvangen op 17 augustus 2026;
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de advocaat van de moeder;

- mevrouw [A.] en meneer [B.], namens het LET-JB;

Bijzondere toegang is verleend aan meneer [C.] van Zorg op Maat.

1.3.

De moeder heeft zich afgemeld voorafgaand aan de zitting. De pleegouders en de gezinshuisouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat deze partijen wel juist zijn opgeroepen.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

1.5.

De kinderrechter heeft op de zitting direct mondeling uitspraak gedaan. Dit is een

schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2].

2.2.

[minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] verblijven in een perspectief biedend pleeggezin.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Verder verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, en de machtiging van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] gezinsgerichte accommodatie (gezinshuis) te verlengen voor de duur van een jaar.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De vader is het eens met de verzoeken.

4.2.

De moeder heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijk haar standpunt kenbaar gemaakt aan de kinderrechter. De moeder is het niet eens met de verzoeken, in het bijzonder niet met een verlenging van de uithuisplaatsing. De uithuisplaatsing van de kinderen was onterecht. Daar komt bij dat de moeder haar kinderen weinig tot niet ziet. Zij kan dit vanuit financieel oogpunt niet rondkrijgen. De moeder heeft ook zorgen over de werkzaamheden die [minderjarige 1] moet verrichten op de zorgboerderij waar hij verblijft, zij vindt dit onveilig en onverantwoord. De advocaat brengt namens de moeder naar voren dat zij graag zou zien dat wordt gewerkt aan terugplaatsing. De moeder is hard aan het werk met zichzelf, zij krijgt gezinshulp en haar relatie is geëindigd.

5 De beoordeling

De beslissing

5.1.

De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de drie kinderen verlengen voor de duur van een jaar. Hierna legt zij uit waarom.

Wat zegt de wet?

5.2.

De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, de noodzakelijke zorg door de ouder(s) niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en de verwachting bestaat dat de ouder(s) de verzorging en opvoeding binnen aanvaardbare termijn zelf weer kunnen dragen. Op verzoek van de GI kan de kinderrechter deze ondertoezichtstelling telkens met maximaal een jaar verlengen.[_5bbfa090-3e69-48fd-9ba1-9a4806be7a48]

5.3.

De kinderrechter kan een machtiging verlenen om een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is (onder meer) in het belang van de verzorging en opvoeding. Op verzoek van de GI kan de kinderrechter deze machtiging telkens met maximaal een jaar verlengen.[_284eff2d-657c-4e21-a20f-2a92df0f925f]

De verlenging van de ondertoezichtstelling

5.4.

De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Voor alle kinderen geldt dat zij traumaproblematiek hebben waarvoor passende behandeling nog moet worden ingezet dan wel afgerond. [minderjarige 1] heeft problemen met het uiten van zijn emoties. Hij heeft onlangs laagdrempelige therapie gehad. Het LET-JB wil nu inzetten op behandeling van [minderjarige 1] bij Jeugd GGZ. Voor zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 3] geldt dat zij te maken hebben met gehechtheidsproblematiek, symptomen van Post Traumatische Stresstoornis (PTSS) en een achterstand in adaptieve vaardigheden. [minderjarige 2] heeft al wel traumatherapie, voor [minderjarige 3] moet deze nog worden opgestart.

5.5.

Daarnaast ziet de kinderrechter als ernstige ontwikkelingsbedreiging dat onduidelijk is welke rol de vader en de moeder kunnen spelen in het leven van de kinderen. De omgangsregeling tussen de kinderen en de moeder wordt niet nagekomen. De kinderen hebben hun moeder nu al heel lang niet gezien. De kinderrechter vindt dit erg verdrietig, en zij ziet de omgang tussen de moeder en de kinderen als een groot punt van zorg. Het LET-JB heeft op de zitting benadrukt dat zij voor wat betreft de reiskosten meekijken met de moeder. De moeder kan aanvullende vergoeding krijgen via de kinderbijslag, mits zij de reiskosten goed noteert en dit bespreekt met haar bewindvoerder. Voor wat de onveiligheid merkt het LET-JB op dat de vader niet weet waar [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen, hij ook niet weet waar de omgang plaatsvindt zodat er geen concreet veiligheidsrisico is. De vader heeft op de zitting benadrukt dat hij aan de slag wil met de hulpverlening en wil laten zien dat hij een ander persoon is. Het LET-JB wil in de komende periode onderzoeken welke rol de vader kan vervullen in het leven van de kinderen nu hij recent uit detentie is vrijgekomen.

5.6.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders zijn niet in staat om (met elkaar) de noodzakelijke hulpverlening voor de kinderen in te schakelen. Hiervoor is de tussenkomst van en regievoering door de GI (met een uitvoering door het LET-JB) nodig.

5.7.

De kinderrechter vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend, gelet op de grote zorgen die er nog zijn over de kinderen. Uit de toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming volgt dat zij met betrekking tot [minderjarige 1] een verlenging van de maatregelen voor de duur van zes maanden adviseren. Het LET-JB heeft op de zitting toegelicht ondanks dit advies de verzoeken voor de duur van een jaar te handhaven. De kinderrechter voorziet onrust en onnodige belasting van de kinderen als de maatregelen nu slechts voor zes maanden worden verlengd, en over circa vijf maanden opnieuw een zitting moet plaatsvinden.

De verlenging van de uithuisplaatsing

5.8.

De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. De kinderrechter ziet dat de kinderen zich goed ontwikkelen op de plek waar zij nu verblijven. Het LET-JB heeft bevestigd dat de kinderen kunnen blijven waar zij zitten. Het perspectief van de drie kinderen is inmiddels ook bepaald buiten het gezin. Daarom wordt niet gewerkt aan een terugplaatsing. Gelet op de huidige situatie van zowel de vader als de moeder, is een terugplaatsing bij een van de ouders ook niet mogelijk. Het jongste kind van de moeder is onlangs uit huis geplaatst, en de moeder gaat voor zichzelf een traject volgen. De vader is onlangs in vrijheid gesteld. De vader heeft op de zitting toegelicht dat hij nu wil toewerken naar een eigen woning. Daarnaast moet hij behandeling en revalidatie volgen. De vader ziet dat de kinderen goed zitten op hun huidige verblijfplek.

5.9.

De kinderrechter vindt een verlenging van de uithuisplaatsing voor de duur van een jaar passend. De kinderen ontwikkelen zich goed. Zij ervaren rust en stabiliteit. De kinderen moeten in deze opvoedomgeving verder kunnen met hun behandelingen en therapieën, zodat zij hiervan optimaal profiteren.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.10.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] tot 2 september 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 2 september 2027;

6.3.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) tot 2 september 2027;

6.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026 door mr. A.G. van Doorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.F. van Loon als griffier, en op schrift gesteld op 27 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.