Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 16 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6354Zaaknummer UTR 26/6734
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Publicatiedatum
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/6734
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. De voorzieningenrechter heeft op dit moment onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of sprake is van een overtreding. Motiveringsgebrek. Verzoek toegewezen. Last onder dwangsom is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst de last onder dwangsom tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/6734
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden
(gemachtigde: N. Huizenaar).
Inleiding
1. Verzoeker was tot 23 april 2026 eigenaar van het perceel aan de [adres] in [plaats] (het perceel). Het college heeft in de jaren 2023, 2024 en 2025 diverse controles uitgevoerd op het perceel.[_de626e51-4b71-4332-951d-2a6e68d678f6] Tijdens deze controles hebben toezichthouders diverse overtredingen geconstateerd. Van de inspecties zijn rapporten opgesteld.
Het college heeft eiser op 26 maart 2026 geïnformeerd over het voornemen om hem een last onder dwangsom op te leggen vanwege de geconstateerde overtredingen op het perceel. Er is sprake van strijdig gebruik van de bedrijfswoning (1), er is sprake van strijdig gebruik van het perceel omdat als hoofdactiviteit er een apparatenbouwbedrijf (2) is gevestigd en er is sprake van opslag van materialen (3) die strijdig is met het omgevingsplan. Verzoeker heeft daarop op 13 april 2026 een zienswijze ingediend.
Bij de hercontrole op 21 mei 2026 hebben toezichthouders geconstateerd dat aan een aantal lasten inmiddels is voldaan. Er is geen sprake meer van de illegale bewoning van de bedrijfswoning. De overtreding ten aanzien van het gebruik van het perceel door het hebben van een apparatenbouwbedrijf is gedeeltelijk opgeheven. Er is nog wel sprake van illegale opslag van materialen op het perceel. Het college heeft vervolgens met het primaire besluit van 10 juni 2026 aan eiser twee lasten onder dwangsom opgelegd. De lasten houden in dat eiser binnen acht weken, uiterlijk op 6 augustus 2026:
- het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het perceel door de vestiging van een apparatenbouwbedrijf op het perceel moet staken. Als niet aan last 1 wordt voldaan, verbeurt verzoeker een dwangsom van € 5.000,- per (gedeelte van een) week met een maximum van € 10.000,-.
- het in strijd met het bestemmingsplan opslaan van materialen in het bouwvlak die niet ten dienste staan van agrarische bedrijfsvoering te verwijderen en verwijderd te houden op het perceel. Als niet aan last 2 wordt voldaan, verbeurt verzoeker een dwangsom van € 5.000,- per (gedeelte van een) week met een maximum van € 10.000,-.
Verzoeker wordt gelast de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden. Dit houdt concreet in dat dat verzoeker de overtreding uiterlijk op 6 augustus 2026 beëindigd moet hebben en houden door het apparatenbouwbedrijf niet langer gevestigd te hebben en alle opslag van materialen in het bouwvlak die niet ten dienste staan van agrarische bedrijfsvoering te verwijderen en verwijderd te houden op het perceel.
Verzoeker is het niet eens met de opgelegde lasten en heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen om de last onder dwangsom te schorsen tot 31 december 2027, dan wel tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar. Het college heeft de begunstigingstermijn verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door zijn partner [A], de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college, vergezeld door [B].
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet.
3. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig oordeel over de vraag of de last onder dwangsom rechtmatig is of niet. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als de last onder dwangsom zodanig gebrekkig is dat die in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of de belangen van verzoeker om de last onder dwangsom te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college om de last onder dwangsom in stand te laten. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.[_fb640628-3bcd-48ff-9d73-9f58b0a4c99f] Tussen partijen is niet in geschil dat er een spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter sluit zich bij partijen aan. In dit geval is duidelijk dat in elk geval de opslag van materialen op het perceel nog niet is verwijderd. De beslissing op bezwaar zal niet op korte termijn worden genomen. De hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie is gepland op 13 oktober 2026. Het college heeft de begunstigingstermijn verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter. De hoorzitting heeft dan nog niet plaatsgevonden.
Rechtmatigheidsoordeel
Is verzoeker de overtreder? [_6ae3b6ff-bc06-47f0-ba0f-e09eaa0152d2]
5. Verzoeker heeft aangevoerd dat de last onder dwangsom ten onrechte aan hem in persoon is opgelegd. Verzoeker is geen eigenaar (meer) van het perceel en de activiteiten op het perceel worden uitgevoerd door [bedrijf] B.V. (apparatenbouwbedrijf).
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college verzoeker heeft kunnen aanschrijven. Verzoeker heeft het feitelijk in zijn macht om de overtredingen te beëindigen, hij heeft (nog steeds) toegang tot het perceel, ook al is hij daar geen eigenaar meer van. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker op de zitting heeft verklaard dat hij de beslissingen neemt met betrekking tot het apparatenbouwbedrijf. Via zijn B.V.’s[_cf6e5f96-e850-451c-b414-88659f2dc23f] dan wel een compagnonschap is het verzoeker die de beslissingen neemt, als directeur. Omdat alle entiteiten zijn terug te voeren naar verzoeker in persoon en verzoeker toegang heeft tot het perceel heeft het college verzoeker als overtreder kunnen aanschrijven.
Is sprake van een overtreding? [_b40035db-32a6-4528-8521-0342f78c6864]
6. Op het perceel is het Omgevingsplan Gemeente Woerden (Omgevingsplan) van toepassing. Op dit moment bestaat het Omgevingsplan op grond van artikel 22.1 van de Omgevingswet (Ow) uit een ‘tijdelijk deel’. Naast de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen[_214cc45d-97cf-446c-93da-27356251ca84] - waaronder het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Woerden’ (het bestemmingsplan) - wordt dit tijdelijk deel onder andere gevormd door de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat).[_97d3f772-e5ff-46aa-a1a0-2a1040a57915]
Op het perceel rust op grond van het bestemmingsplan (dat onderdeel is van het Omgevingsplan) de enkelbestemming ‘Agrarisch – Landschappelijke Waarden’. De gronden zijn onder andere bestemd voor ‘agrarische bedrijvigheid’, ‘ander agrarisch gebruik van de bestaande bebouwing, bijvoorbeeld champignon-, vis- of wormkwekerij’,‘ander gebruik als ondergeschikte nevenactiviteit van de agrarische bedrijfsvoering, namelijk: bewerking en opslag van agrarisch producten, […] opslag en stalling van niet-milieugevaarlijke, niet-agrarische goederen die geen risico's voor de omgeving oplevert, […].[_042652a0-5396-4b35-a6a9-61af839ab376]
Is het perceel in strijd met de bestemming gebruikt door de vestiging van een apparatenbouwbedrijf?
7. Het college heeft naar aanleiding van de gehouden controles geconcludeerd dat het apparatenbouwbedrijf de hoofdactiviteit is op het perceel. Die conclusie is gebaseerd op de aard en de omvang van de activiteiten van het apparatenbouwbedrijf. Verzoeker betwist dat het apparatenbouwbedrijf de hoofdactiviteit is. Er is ook sprake van agrarische activiteiten. In de grote schuur worden koeien gehouden. Het apparatenbouwbedrijf heeft agrarisch aanverwante activiteiten op het perceel. De hoofdactiviteit is volgens verzoeker het houden van vee en het gebruik van de weilanden om het perceel heen. Op grond van de planregels is niet vereist dat er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf.[_b91968d5-67a1-4881-a55b-cdcd7678bbb9] Verder heeft verzoeker toegelicht dat het gaat om het houden van 80 koeien. Dat deze koeien niet zijn eigendom zijn is niet relevant voor de vraag welke activiteiten in hoofdzaak plaatsvinden op het perceel. Desgevraagd heeft het college op de zitting verklaard dat er geen foto’s beschikbaar zijn van de stal met koeien, noch van de activiteiten die daarmee samenhangen.
Artikel 3.1 aanhef en onder a. van de planregels van het bestemmingsplan bepaalt dat het moet gaan om agrarische bedrijvigheid. Onder ‘agrarische bedrijvigheid’ wordt verstaan ‘bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren […]’.[_996e8a57-7e1e-4461-aa3f-375d455deff6] De voorzieningenrechter stelt vast dat in de constateringsrapporten geen totaaloverzicht is gemaakt van alle activiteiten die plaatsvinden op het perceel. Informatie en foto’s van de schuur waarin de koeien worden gehouden ontbreekt. Niet duidelijk is welke omvang de agrarische en niet-agrarische activiteiten hebben. Verder is onduidelijk welke criteria het college heeft gehanteerd om te komen tot de conclusie dat het apparatenbouwbedrijf als hoofdactiviteit moet worden aangemerkt. Omdat deze informatie in de constateringsrapporten ontbreekt is in zoverre sprake van een gebrekkige voorbereiding van het besluit.[_c5f41882-2b94-4a55-adfa-66320589131c]
Het college kan dit gebrek herstellen in de bezwaarfase. Daarin moet hij een onderbouwd standpunt innemen over de vraag welke activiteit op het perceel als hoofdactiviteit moet worden aangemerkt. Vervolgens zal het college ook de huidige situatie moeten beoordelen en vaststellen of -zoals verzoeker stelt- het apparatenbouwbedrijf nog gevestigd is op het perceel of niet. Het college heeft op de zitting verklaard dat hij nog geen gelegenheid heeft gehad om een nieuwe controle uit te voeren. Het college moet daarom beoordelen of nog steeds sprake is van een overtreding of dat inmiddels aan de last is voldaan. De voorzieningenrechter heeft op dit moment onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of sprake is van een overtreding. En als sprake is van een overtreding of die overtreding inmiddels is beëindigd.
Is de opslag van materialen op het perceel in strijd met artikel 3.1 van de planregels van het bestemmingsplan?
8. Opslag binnen het agrarisch bouwvlak is alleen toegestaan ten dienste van de agrarische bedrijfsvoering.[_185a6b06-033c-4bef-8366-4df2c94fa0a1] Zoals de voorzieningenrechter hiervoor onder punt 7.1. heeft overwogen moet het college opnieuw een standpunt innemen over de hoofdactiviteit op het perceel. Mocht de hoofdactiviteit toch agrarisch zijn of inmiddels zijn geworden, dan moet bekeken worden of de opslag op het perceel voldoet aan artikel 3.1 aanhef en onder g. of h. van de planregels van het bestemmingsplan zoals door verzoeker is gesteld.Is de opslag van materialen op het perceel in strijd met de zorgplicht?
9. In het Omgevingsplan is een specifieke zorgplicht opgenomen over de staat en gebruik van open erven en terreinen. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door ‘het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt’.[_6cdc9ce7-28e1-44c1-bae5-bbfdf6041879] Volgens de gegeven motivering in het bestreden besluit is opslag van goederen enkel toegestaan ten dienste van de agrarische bedrijfsvoering. In het dossier zitten diverse constateringsrapporten met daarin foto’s van de opslag van materialen. Zo is bijvoorbeeld in het eerste constateringsrapport van 16 maart 2023 aangegeven dat de ‘materialen staan opgeslagen in grote stellingen maar ook op pallets etc. op de grond. Ook staan er containers, (bouw)keten op het terrein en er ligt een bekisting met bouwhekken welke dient voor het storten van een vloer.’ Met de diverse foto’s in dit rapport wordt dit onderbouwd. Uit het laatste constateringsrapport van 21 mei 2026 volgt dat de materialen nog steeds aanwezig zijn op het perceel. Op de foto’s uit dit rapport zijn bijvoorbeeld veel stalen materialen, balken, bakken met puin, etc. te zien. Verder stelt het college dat ook bij een functieverandering het uitgangspunt is dat er geen opslag van goederen in de openlucht plaatsvindt. Legalisatie van de buitenopslag is dan ook niet mogelijk. Het college verwijst daarbij naar de Omgevingsverordening[_c2148bf3-4322-4b0f-b619-2c076e955465] van de provincie Utrecht.
Tussen partijen is niet in geschil dat een aanzienlijk deel van de opslag van materialen niet ten dienste staat van een agrarische bedrijfsvoering. Verzoeker heeft op de zitting gesteld dat de last te ver strekt, omdat volgens artikel 3.1, aanhef en onder sub g. en h., van de planregels van het bestemmingsplan ook opslag van andere goederen is toegestaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet duidelijk wordt uit het bestreden besluit hoe die planregels zich verhouden tot artikel 22.20, derde lid, aanhef en onder c. van het Omgevingsplan. Ook in zoverre is er daarom sprake van een motiveringsgebrek dat het college kan herstellen in de bezwaarfase.
Belangenafweging
10. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter de last onder dwangsom te schorsen tot 31 december 2027, dan wel tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan als volgt af.
Volgens vaste rechtspraak is voor de vraag of een begunstigingstermijn redelijk is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan en dient ertoe om de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.[_cddcd71d-3c07-4ee0-a856-5db47881ef60] Volgens vaste rechtspraak hoeft het college bij het stellen van de begunstigingstermijn geen rekening te houden met de tijd die nodig zou zijn om een alternatieve locatie voor het bedrijf te vinden en het bedrijf daarheen te verplaatsen. Het college hoeft slechts rekening te houden met de tijd die nodig is om aan de last te kunnen voldoen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college onvoldoende concreet heeft uitgelegd waarom twee maanden voldoende is om aan de gestelde lasten te voldoen. Er is slechts gezegd dat deze termijn voldoende moet zijn om aan de opgelegde lasten te kunnen voldoen. Het argument van het college dat verzoeker in het verleden is gewezen op mogelijke overtredingen is daarvoor onvoldoende. Het gaat om de termijn die in het bestreden besluit wordt gegeven om aan de last te voldoen. Ook dit gebrek kan het college in bezwaar herstellen. Aan de kant van verzoeker is primair verzocht om een begunstigingstermijn tot 31 december 2027. Verzoeker heeft daarbij ook niet met concrete argumenten onderbouwd waarom de begunstigingstermijn tot 31 december 2027 zo lang moet zijn om aan de last te voldoen.
Omdat aan de last onder dwangsom, zoals hiervoor is overwogen een aantal gebreken kleven, die het college in bezwaar kan herstellen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Gelet op de belangenafweging ziet de voorzieningenrechter reden om de begunstigingstermijn te verschuiven tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
11. Tenslotte geldt dat verzoeker op de zitting heeft verklaard dat hij bereid is verder te praten met het college om afspraken te maken om te komen tot een oplossing. De voorzieningenrechter merkt dienaangaande op dat partijen in iedere fase van een procedure kunnen besluiten om afspraken te maken die kunnen leiden tot beëindiging van deze procedure.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de last onder dwangsom is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst de last onder dwangsom tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.