Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 9 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6336Zaaknummer UTR 26/5612
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Publicatiedatum
- 21 september 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/5612
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Pw, toewijzing voorlopige voorziening in bezwaar, tijdelijke verstrekking voorschotten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit;
- draagt het college op vanaf de datum van de aanvraag, 19 maart 2026, aan verzoekster voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm, voor zover deze voorschotten per 19 maart 2026 nog niet eerder aan haar zijn verstrekt dan wel zijn teruggevorderd;
- bepaalt dat deze voorziening vervalt na zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar aan verzoekster;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
De griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5612
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J.C. Walker),
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, het college
(gemachtigde: E. Kuipers).
Samenvatting
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter bepaalt daarbij - kort gezegd - dat het college tot zes weken na de beslissing op bezwaar een voorschot op de bijstandsuitkering moet uitbetalen aan verzoekster. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
Wat is er gebeurd?
1. Verzoekster heeft op grond van de Participatiewet (Pw) bijstand ontvangen per 15 februari 2019 naar de norm van een alleenstaande. Per 11 maart 2026 is dit recht op bijstand opgeschort en ingetrokken, omdat verzoekster niet is verschenen op de afspraken op 11 en 16 maart 2026 met het college. Verzoekster heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Op haar bezwaren is tot op heden nog niet beslist.
2. In de tussentijd heeft verzoekster op 19 maart 2026 opnieuw bijstand aangevraagd. Zij is vervolgens uitgenodigd om op 20 mei 2026 op gesprek te komen bij het college en daarbij – kort gezegd – bewijsstukken over haar (financiële) situatie te overleggen. Verzoekster is zonder bericht niet verschenen op de afspraak.
3. Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen nu verzoekster zonder bericht niet is verschenen op de afspraak op 20 mei 2026.
4. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Via een videoverbinding hebben verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Is er sprake van spoedeisend belang?
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
7. Verzoekster heeft in dit kader aangevoerd dat zij door het ontbreken van inkomsten haar betalingsregeling met de verhuurder niet kan nakomen en de huur niet meer kan betalen. Ter onderbouwing heeft verzoekster een conceptbrief van haar advocaat over de huurschuld overgelegd, samen met een bewijs van achterstand in de betaling van haar ziektekostenverzekering en haar bankafschriften over de periode van 2 maart 2026 tot en met 30 mei 2026 van haar Rabobankrekeningen eindigend op [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2].
8. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoekster overgelegde bewijsstukken voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang dat noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het staat tussen partijen vast dat verzoekster in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en vanaf maart 2026 geen inkomsten meer heeft ontvangen. Niet is gebleken dat verzoekster, behoudens (voorschotten op) toeslagen, andere inkomsten heeft. De voorschotten die het college haar vanaf maart 2026 heeft toegekend, zijn vanwege de afwijzing van de aanvraag van verzoekster teruggevorderd. De voorschotten zorg- en huurtoeslag die verzoekster volgens haar bankafschriften ontvangt, zijn onvoldoende om in haar levensonderhoud en vaste lasten te voorzien. Dat blijkt uit de achterstand in de betaling van haar ziektekostenverzekering en de afbetaling van haar huurschuld. Daarbij komt dat niet in geschil is dat verzoekster met forse psychische problemen kampt, die worden verergerd door haar financiële problemen.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Hierbij is het volgende van belang.
10. Ter zitting is vastgesteld dat het college geen twijfels heeft over de bijstandbehoevende omstandigheden, maar voor het vaststellen van het recht op bijstand wel meer informatie nodig heeft over de woonsituatie van verzoekster. Daarover bestaan bij het college immers twijfels, omdat verzoekster bij meerdere gelegenheden niet heeft gereageerd op brieven die het college naar het uitkeringsadres heeft verstuurd. Tijdens de zitting heeft het college de bereidheid uitgesproken om op korte termijn een huisbezoek bij verzoekster plaats te laten vinden. Zo kan het college duidelijkheid verkrijgen over de woonsituatie van verzoekster. Verzoekster heeft ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen een huisbezoek en daaraan haar medewerking te verlenen. Wanneer een huisbezoek plaatsvindt kan het college in de bezwaarfase het recht op bijstand inhoudelijk beoordelen. Bij deze stand van zaken kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geoordeeld dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.
Belangenafweging
11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen. Verzoekster verkeert in een nijpende (financiële) situatie: het staat vast dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en vanaf maart 2026 geen inkomsten heeft. Daarbij komt dat het college erkent dat verzoekster met forse psychische problemen kampt. Het is voor de voorzieningenrechter, gelet op het verloop van de zitting, voorstelbaar dat verzoekster door haar psychische problemen niet direct adequaat reageert conform de verzoeken van het college. Het college moet zich hiervan rekenschap geven bij heroverweging van het bestreden besluit. Tot slot kan bij een volledige heroverweging in bezwaar, na een huisbezoek, een inhoudelijke beoordeling van haar recht op bijstand worden gemaakt. Gezien deze omstandigheden past het niet om verzoekster in afwachting van de beslissing op bezwaar verstoken te laten zijn van bijstand. De voorzieningenrechter realiseert zich dat bij toewijzen van het verzoek een restitutierisico ontstaat. Dit weegt echter niet op tegen de belangen van verzoekster.
12. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter bepaalt daarbij dat aan verzoekster vanaf de datum van haar aanvraag tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar voorschotten worden verstrekt ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm.
13. De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
14. Vanwege een administratieve omissie is geen griffierecht van verzoekster gevraagd. Om die reden hoeft het college het griffierecht niet aan verzoekster te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit;
- draagt het college op vanaf de datum van de aanvraag, 19 maart 2026, aan verzoekster voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm, voor zover deze voorschotten per 19 maart 2026 nog niet eerder aan haar zijn verstrekt dan wel zijn teruggevorderd;
- bepaalt dat deze voorziening vervalt na zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar aan verzoekster;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
De griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.