Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 2 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6334Zaaknummer UTR 26/1007
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 2 september 2026
- Publicatiedatum
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/1007
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak. VOG touringcarchauffeur. Objectief criterium niet in geschil. Subjectief criterium; persoonlijke ontwikkelingen deels onvoldoende onderbouwd, verkeersdelicten nog te recent om te zeggen dat risico voor samenleving voldoende is afgenomen. Ongegrond.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1007
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Eijpe),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. R.P. Stehouwer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de afgifte van de VOG terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser wil als [functie] gaan werken bij [bedrijf] B.V. Daarvoor heeft hij op 16 mei 2025 bij de staatssecretaris een VOG aangevraagd. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 december 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
3. De staatssecretaris heeft bij de beoordeling van de aanvraag van eiser de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018 (Beleidsregels). Daarnaast heeft de staatssecretaris het algemene screeningsprofiel toegepast met de risicogebieden; informatie, geld, proces en mensen. Waar is de afwijzing op gebaseerd?
4. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat uit het Justitieel Documentatie systeem (JDS) blijkt dat over eiser meerdere strafbare feiten zijn vermeld. Er geldt voor eiser een terugkijktermijn van vier jaar. Het gaat om de volgende strafbare feiten:- het rijden onder invloed. Eiser is aangehouden op 14 juni 2025 in Vleuten. Ten tijde van de beslissing op bezwaar stond deze zaak nog open. - het bemoeilijken van herkenning van het kenteken. Eiser is hiervoor op 28 mei 2024 veroordeeld tot een geldboete van € 410,-.- het overschrijden van de maximumsnelheid. Eiser is hiervoor op 3 augustus 2023 veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,- en een rijontzegging van vier maanden (waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar). - het rijden onder invloed. Deze zaak is op 13 mei 2023 geseponeerd op grond van “oud feit”.
5. Daarnaast heeft de staatssecretaris bij zijn beoordeling betrokken dat eiser buiten de terugkijktermijn in het JDS voorkomt wegens in 2020 en 2021 gepleegde verkeersdelicten en dat hij in 2020 door de kinderrechter is veroordeeld voor een vernieling die hij als minderjarige heeft gepleegd.
6. Deze strafbare feiten vormen volgens de staatssecretaris, indien herhaald, een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie van [functie]. Daarmee is volgens de staatssecretaris voldaan aan het objectieve criterium als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Beleidsregels. Ook is de staatssecretaris van mening dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen de risico’s zoals die door middel van het objectieve criterium zijn vastgesteld, zwaarder dienen te wegen dan het belang dat eiser heeft bij afgifte van de VOG. In dit kader heeft de staatssecretaris onder meer laten meewegen dat eiser ook buiten de terugkijktermijn voorkomt in het JDS.Het objectieve criterium
7. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG beleidsregels heeft opgesteld. In deze beleidsregels is in paragraaf 3.2 bepaald dat er geen VOG wordt verstrekt als voldaan is aan het objectieve criterium. Bij de toetsing van het objectieve criterium wordt gekeken of de aangetroffen justitiële gegevens van de aanvrager, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheden waarvoor een VOG is aangevraagd.
8. Eiser heeft aangevoerd dat het rijden onder invloed van 14 juni 2025 niet had mogen worden meegenomen in de beoordeling van de staatssecretaris omdat dit feit heeft plaatsgevonden ná de aanvraag en het primaire besluit en hij er pas tijdens de hoorzitting mee is geconfronteerd dat ook dit feit zal worden betrokken bij de beslissing op bezwaar. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Uit het beleid van de staatssecretaris volgt dat alle feiten die binnen de terugkijktermijn en voorafgaand aan de beoordeling hebben plaatsgevonden mogen worden betrokken. Daar hoort dit feit dus ook bij. De rechtbank vindt verder dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om op de hoorzitting te reageren op dit delict. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt welke feiten of omstandigheden door de staatssecretaris zijn gemist of niet zijn betrokken. Zo is de staatssecretaris in de beslissing op bezwaar ingegaan op het vastgestelde alcoholpromillage, de stelling van eiser dat daar volgens de richtlijnen van het Openbaar Ministerie geen rijontzegging voor wordt opgelegd en ook op de persoonlijke omstandigheden van eiser.
9. De rechtbank stelt vast dat verder niet in geschil is dat gelet op de gepleegde feiten voldaan is aan het objectieve criterium. De rechtbank zal zich daarom verder beperken tot een beoordeling van het subjectieve criterium. Het subjectieve criterium
10. Ingevolge het beleid wordt vervolgens op grond van het subjectieve criterium te beoordeeld of er grond bestaat om aan te nemen dat de VOG, ondanks het aanwezig zijn van een objectief vastgesteld risico voor de samenleving, alsnog afgegeven had kunnen of moeten worden. Het uitgangspunt is dat de minister in het kader van de afgifte van een VOG beoordelingsruimte heeft. Dat betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de minister in redelijkheid het belang van bescherming van de in beoogde functies aan eiser toevertrouwde kwetsbare personen zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang dat eiser heeft bij afgifte van de VOG.
11. Eiser wijst er in dit kader onder meer op dat hij zijn cocaïneverslaving heeft overwonnen en dat hij geleerd heeft van de gepleegde feiten. Hij heeft intensieve begeleiding op diverse vlakken en benadrukt dat het werk voor hem belangrijk is voor structuur in zijn leven.
12. De rechtbank stelt voorop dat zij het positief vindt dat eiser aan zichzelf werkt en dat er sprake is van positieve ontwikkelingen. Ook onderschrijft de rechtbank dat werk belangrijk is voor structuur en dat het een bepaald fundament geeft aan het leven. Ten aanzien van de feiten die buiten de terugkijktermijn zijn gepleegd wijst eiser er ook terecht op dat de door de staatssecretaris betrokken vernieling inmiddels zes jaar is geleden en dat eiser destijds bovendien minderjarig was. .
13. Ook heeft eiser er op gewezen dat het rijden onder invloed uit 2023 feitelijk in 2021 heeft plaatsgevonden en bovendien is geseponeerd met als sepotgrond “oud feit”. Dat laat echter onverlet dat de staatssecretaris dit feit gelet op vaste rechtspraak en zijn beleid mocht betrekken bij de beoordeling. De rechtbank is verder van oordeel dat de staatssecretaris, gelet op dit feit en de andere feiten, terecht heeft geconcludeerd dat eiser over een periode van vier jaar vijf keer in aanraking is gekomen met justitie voor feiten gerelateerd aan verkeer en vervoer. In 2023 is eiser wegens te hard rijden veroordeeld tot een boete van € 1.200,- en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 2 maanden (en twee maanden voorwaardelijk). Ook kreeg eiser een proeftijd, die bij de beslissing op bezwaar pas nét was verstreken. Na de aanvraag van de VOG gaat eiser wederom de fout in door te rijden onder invloed. Dat eiser daarvoor uiteindelijk geen rijontzegging heeft gekregen van de strafrechter maakt niet dat de staatssecretaris daar anders naar had moeten kijken. Het strafrecht heeft een ander beoordelingskader dan het bestuursrecht. De staatssecretaris moet het risico voor de samenleving beoordelen als eiser de beoogde functie gaat uitoefen. In dat kader heeft hij kunnen overwegen dat de verkeersdelicten een repeterend karakter hebben en dat de delicten bij uitstek onverenigbaar zijn met de functie van [functie]. In het screeningsprofiel staat ook expliciet de veiligheid van passagiers en medeweggebruikers als risico genoemd.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris terecht opgemerkt dat er meer tijd nodig is voor eiser om te laten zien dat hij daadwerkelijk heeft geleerd van de gepleegde feiten en dat hij oog heeft voor het professionele karakter van de functie als [functie] en wat dat met zich brengt. Het is de rechtbank ten slotte niet gebleken dat eiser zijn huidige werk niet meer kan voortzetten of dat hij in de toekomst geen ander werk zou kunnen krijgen. De staatssecretaris heeft daarom de risico’s voor de samenleving zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij afgifte van een VOG. Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de afgifte van de VOG terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
16. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
| griffier | rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.