Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 9 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6333Zaaknummer UTR 26/6479 en UTR 26/6593

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
9 september 2026
Publicatiedatum
5 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/6479 en UTR 26/6593
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kap van 1.923 bomen in verband met woningbouw locatie. De voorzieningenrechter verwacht dat de bezwaren van Stichting SOS en verzoekers niet-ontvankelijk worden verklaard. Feitelijke werkzaamheden van Stichting SOS onvoldoende en verzoekers hebben geen zicht op de te kappen bomen. Daarom geen aanleiding een voorziening te treffen.

Conclusie

9. De bezwaren van Stichting SOS en verzoekers zullen dus niet leiden tot herroeping van de verleende omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening en wijst de verzoeken af. Het college hoeft geen griffierecht of proceskosten te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 9 september 2026 in de zaken tussen
  2. Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de gemeente Soest (vergunninghouder)
  3. Inleiding
  4. Beslissing
  5. Motivering van de beslissing
  6. Conclusie
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 26/6479 en UTR 26/6593

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

9 september 2026 in de zaken tussen

1. Stichting Ontwikkeling en Behoud Erfgoed Soest-Soesterberg (SOS) Stichting SOS), gevestigd in Soesterberg, verzoekster

2. [verzoeker 1] en [verzoeker 2]uit [plaats], verzoekers en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest (het college), verweerder

(gemachtigde: mr. C.H. Norde).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de gemeente Soest (vergunninghouder)

(gemachtigde: D. van den Herik).

Inleiding

1. Met het besluit van 8 juli 2026 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 1.923 bomen en (aan)planten van 117 bomen, Gebied [locatie 1] tussen [straat] en [locatie 2] in Soesterberg.

2. Stichting SOS en verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning en hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat de bomen gekapt worden, wat volgens hen leidt tot onomkeerbare gevolgen voor de bomen en de beschermde diersoorten.

3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [verzoeker 2] namens Stichting SOS, verzoekers, de gemachtigde van het college samen met mr. P.A. Phielix en de gemachtigde van vergunninghouder samen met [B].

4. De voorzieningenrechter heeft na de zitting onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

5. De voorzieningenrechter wijst beide verzoeken om voorlopige voorziening af. Zij verwacht namelijk dat het college de bezwaren van Stichting SOS en verzoekers niet-ontvankelijk zal verklaren. De bezwaren zullen in dat geval niet leiden tot herroeping van de verleende omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Zij zal haar beslissing hierna uitleggen.

Motivering van de beslissing

6. Het college heeft in het verweerschrift zowel voor Stichting SOS als voor verzoekers expliciet aan de orde gesteld of zij wel kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden. In deze zaken moet de voorzieningenrechter die vraag aan de hand van vaste rechtspraak beantwoorden. Dat Stichting SOS en/of verzoekers in eerdere procedures als belanghebbenden zijn aangemerkt, betekent namelijk niet dat zij dat in deze zaken ook automatisch zijn.

7. Uitgangspunt bij de vraag of Stichting SOS belanghebbende is bij het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend, zijn haar statutaire doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden. Die feitelijke werkzaamheden moeten invulling geven aan de algemene belangen waarvoor Stichting SOS opkomt. Uit de stukken en uit wat tijdens de zitting is besproken blijkt dat Stichting SOS geen werkzaamheden verricht die kunnen worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in het kader van de verwezenlijking van haar statutaire doelstellingen. Stichting SOS heeft zich toegelegd op het voeren van juridische (voor)procedures en op het verrichten van activiteiten die daarmee verband houden, zoals het daarover informeren van publiek. Maar procederen wordt niet als feitelijke werkzaamheden aangemerkt. De andere werkzaamheden zijn te algemeen en te beperkt om te kunnen gelden als feitelijke werkzaamheden om tot ontvankelijkheid te leiden. Van de vier krantenartikelen die de Stichting tijdens de zitting heeft overgelegd, dateren er twee van vóór de oprichting van de stichting. De twee artikelen van latere datum zijn algemeen van aard en gericht tegen de kap van het bos ten behoeve van woningbouw. In die artikelen wordt verder beschreven dat gemachtigde Kuijer zich tegen de plannen verzet. Maar ook dat is ‘slechts’ een interview en duidt niet op activiteiten die verband houden met de statutaire doelstelling. Dat Stichting SOS beschikt over een Facebookpagina en heeft ingesproken bij de gemeenteraad en Provinciale Staten zijn ook activiteiten die gericht zijn op het tegengaan van de kap ten behoeve van de woningbouw. Nergens uit blijkt uit dat Stichting SOS zich breder inzet om haar doelstelling te verwezenlijken. Zij heeft bijvoorbeeld geen website, verzorgt geen educatieve projecten en is ook niet als partner betrokken bij beleidsvorming. Voor de voorzieningenrechter is daarom niet vast komen te staan dat er feitelijke werkzaamheden zijn verricht anders dan in het kader van protest en procederen tegen de voorgenomen kap- en woningbouwplannen. Dat er tot juli 2026 nog geen besluiten waren genomen door het college, maakt dat niet anders want er was al onder meer door de procedures over het bestemmingsplan bekend wat de planvorming van de gemeente was. Dat alles maakt dat de voorzieningenrechter verwacht dat het college de bezwaren van Stichting SOS niet-ontvankelijk zal verklaren.

8. Voor verzoekers geldt dat dat zij rechtstreeks feitelijke gevolgen moeten ondervinden van een activiteit. Bij kappen is dat het geval bij naburige percelen of een afstand van minder dan 100 meter tot de te kappen boom/bomen. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon- of leefomgeving zijn, wordt onder andere gekeken naar de factoren afstand tot en zicht op de gevolgen van de activiteit die het besluit toestaat. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter naar deze factoren gekeken en vastgesteld dat er binnen een cirkel van 100 meter vanaf de woning van verzoekers maar een paar bomen worden gekapt. Dat heeft op zichzelf geen gevolgen van enige betekenis, omdat het een te gering aantal is. Verzoekers hebben verder weliswaar gesteld dat ze zicht hebben op de te kappen bomen, maar hebben niet concreet kunnen maken om welke boom of bomen het gaat. In ogenschouw nemend dat een ruime strook bomen behouden blijft tussen de woning en de te kappen bomen, kan niet worden gesproken van gevolgen van meer dan geringe betekenis. Dat volgens verzoekers hun leefomgeving wordt aangetast en bomen op het mandelige pad en in hun tuin meer risico lopen door windvang is een niet onderbouwde stelling en wordt niet ondersteund door bijvoorbeeld deskundigenonderzoek. Mede gelet op de afstand tot de kap en het behoud van een groot aantal bomen is dat onvoldoende om verzoekers als belanghebbenden aan te merken. Voor het argument van verzoekers dat het ecosysteem wordt aangetast, geldt dat zij daarbij geen persoonlijk belang hebben dat hen onderscheidt van andere inwoners van Soest. Dat alles maakt dat er geen gevolgen van enige betekenis voor verzoekers zijn. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het college verzoekers niet zal aanmerken als belanghebbenden en hun bezwaar niet-ontvankelijk zal verklaren.

Conclusie

9. De bezwaren van Stichting SOS en verzoekers zullen dus niet leiden tot herroeping van de verleende omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening en wijst de verzoeken af. Het college hoeft geen griffierecht of proceskosten te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.