Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Midden-Nederland, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5674Zaaknummer C/16/614465 / JL RK 26-433
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Publicatiedatum
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/16/614465 / JL RK 26-433
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Muhp voor kortere duur, onder aanhouding van het overige. GI zal een informatieverzoek moeten indienen bij de Centrale Autoriteit om inzicht te krijgen in de thuissituatie van de vader.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 21 juli 2026 tot 21 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oma (moederszijde) met ingang van 21 juli 2026 tot 21 november 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 21 november 2026, tegen welke zitting de Raad, de GI, de vader, de moeder met haar advocaat en de oma met haar advocaat dienen te worden opgeroepen;
verzoekt de GI de kinderrechter uiterlijk 21 oktober 2026 schriftelijk te informeren over:
- hoe het met [minderjarige] en de mensen om hem heen gaat,
- de thuissituatie van de vader in Duitsland,
- het contact van [minderjarige] met zijn ouders,
- overige informatie die noodzakelijk is voor de beoordeling van de verdere beoordeling van de machtiging tot uithuisplaatsing;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. M.M. Janssen - Witteveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 27 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/614465 / JL RK 26-433
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonend in [woonplaats], verblijvend in Duitsland,
advocaat: mr. L.D.H. Lesmeister,
[de oma (mz)],
hierna te noemen: de oma (mz),
wonend in [woonplaats],
advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt,
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wondend in [plaats], Duitsland.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 juli 2026;
- het rapport van de Raad, ontvangen op 14 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader;
- de oma met haar advocaat;
- [A.] namens de Raad;
- [B.] namens de GI.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. De gezagssituatie van de vader is onduidelijk. Volgens het Jugendamt (de Duitse overheidsinstelling die belast is met de uitvoering van het jeugdbeleid, waaronder de kinderbescherming) zou hij [minderjarige] in Duitsland hebben erkend en het gezag over [minderjarige] dragen. De rechtbank beschikt echter niet over stukken waaruit dit blijkt. Bovendien is deze erkenning in Nederland (nog) niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
[minderjarige] woont bij de oma (mz).
De kinderrechter heeft bij beschikking van 28 april 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 23 juli 2026.
De kinderrechter heeft bij diezelfde beschikking van 28 april 2026 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de oma (mz) tot 23 juli 2026.
3 De verzoeken
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oma (moederszijde) te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De Raad
De Raad heeft de verzoeken op de zitting gehandhaafd. Uit het Raadsonderzoek is naar voren gekomen dat er veel zorgen zijn om [minderjarige] en zijn moeder. Zo zijn er zorgen over haar opvoedvaardigheden, haar emotionele beschikbaarheid en over de mate van vrijwilligheid die zij heeft in haar verblijf bij de vader in Duitsland. Het is de Raad niet goed gelukt om met de moeder alleen, zonder de vader, contact te hebben omdat bijvoorbeeld haar telefoon leeg of kwijt is. Ze heeft geen eigen inkomsten en is volledig afhankelijk van de vader en zijn familie. De verhalen van de moeder en de vader verschillen hierin van die van het Jugendamt en de Duitse politie, die hebben namelijk gesproken over mutaties van huiselijk geweld en strafrechtelijke verdenkingen. Tot slot is er geen zicht op de thuissituatie bij de vader. Er is hierover nog geen informatie ontvangen vanuit de Centrale Autoriteit. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk. Er moet eerst meer informatie zijn over de thuissituatie van de vader, over de inzet van een eventuele gezinsopname of een opname in een moeder-kindhuis om zicht te krijgen op de opvoedingsvaardigheden van de moeder en om eventueel een warme overdracht van de ondertoezichtstelling naar Duitsland te realiseren. De Raad vindt het op basis van de informatie waarover hij nu beschikt te onveilig voor [minderjarige] om bij zijn familie in Duitsland te wonen.
De GI
De GI heeft verteld dat [minderjarige] een goede opvoeding krijgt bij de oma. Een zorg is wel dat hij zijn ouders maar een keer per week ziet. De GI probeert de omgangsmomenten tussen de ouders en [minderjarige] zo lang mogelijk te laten duren, maar is hierbij wel gebonden aan wat [minderjarige] aankan. Het voorstel van de GI om twee keer per week contact te hebben met [minderjarige] is voor de ouders niet haalbaar. Tijdens de omgangsmomenten is opgevallen dat [minderjarige] geen oogcontact maakt met de ouders. Er zal iemand moeten worden ingezet die meer expertise heeft op het gebied van hechting om dit verder te onderzoeken en te begeleiden. Tot slot geeft de GI aan dat zij geen ondertoezichtstelling kunnen uitvoeren als [minderjarige] in Duitsland woont. Voor een overdracht van de ondertoezichtstelling naar Duitsland is het eerst nodig dat er meer informatie komt over de situatie bij de vader thuis. De GI heeft al geprobeerd om contact te krijgen met het Jugendamt, maar dat zal via de Centrale Autoriteit moeten plaatsvinden. De Raad heeft zes weken geleden al een informatieverzoek gedaan aan de Centrale Autoriteit. Hier is tot op heden geen reactie op gekomen.
De ouders
Namens en door de ouders is verteld dat zij instemmen met de ondertoezichtstelling, maar dat zij primair verzoeken om de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair om die machtiging op een zo kort mogelijke termijn te beëindigen. Zij onderkennen dat er sprake is van een bedreigde ontwikkeling van [minderjarige], maar zouden graag willen dat de ondertoezichtstelling in Duitsland wordt uitgevoerd. Over de onduidelijkheid over de thuissituatie van de vader, stelt de moeder dat de Jugendamt geen zorgen heeft gezien ten aanzien van het verblijf van de tweejarige halfbroer van [minderjarige] bij de vader. Ook kloppen de strafrechtelijke zorgen van de Raad niet volgens de moeder. Tot slot heeft de moeder zelf geen kans gekregen om te laten zien dat zij in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. De oma heeft altijd voor hem gezorgd, waardoor het begrijpelijk is dat [minderjarige] een betere hechting met haar heeft. Dit is juist een reden om de uithuisplaatsing zo snel mogelijk te beëindigen en het hechtingsproces met de moeder te bevorderen. Anders wordt wellicht over negen maanden gesteld dat [minderjarige] – gezien zijn aanvaardbare termijn – niet meer bij de moeder kan wonen.
De oma
Namens en door de oma is verteld dat zij zich kan vinden in de verzoeken van de Raad. Het liefst zou de oma zien dat [minderjarige] veilig bij zijn moeder kan opgroeien, maar een thuisplaatsing is op dit moment niet mogelijk omdat de oma de zorgen van de Raad herkent. De oma maakt zich onder meer zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder, de fysieke en emotionele beschikbaar van de moeder en (het ontbreken van) de hechting tussen [minderjarige] en zijn moeder. De komende periode zal er een gezinsonderzoek moeten plaatsvinden, het liefste op een manier dat de moeder bij de oma en [minderjarige] in komt wonen. De GI zal betrokken moeten blijven om regie te voeren, de contacten te begeleiden en de hechting tussen [minderjarige] en zijn moeder te stimuleren. Tot slot zal er informatie moeten komen vanuit het Jugendamt over de thuissituatie bij de vader. Volgens de oma zou er weer een onderzoek gestart zijn door het Jugendamt naar het andere kind van de vader, nadat de opa van vaderszijde uitlatingen heeft gedaan op Facebook.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[_128a83f8-43dc-4b42-8362-18077cbae1af] Daarom stelt zij [minderjarige] onder toezicht van de GI voor de duur van een jaar. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.[_74e38d4b-852d-4b22-be47-f38a2ff9f553] De kinderrechter verleent daarom ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oma (mz) voor de duur van vier maanden, te weten tot 21 november 2026. De behandeling van het overige deel van het verzoek wordt aangehouden. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. Er is namelijk nog geen zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders, in hoeverre de ouders in staat zijn om aan te sluiten bij de behoeftes van [minderjarige] en of de situatie bij de vader thuis veilig genoeg is voor [minderjarige] om in op te groeien. Daarnaast is er op dit moment slechts één uur per week contact tussen de ouders en [minderjarige]. Mede vanwege de afstand is het uitbreiden van dit contact naar meerdere keren per week op dit moment voor de ouders niet haalbaar. Hierdoor lukt het enerzijds niet voldoende om verdere inzicht te krijgen in de opvoedvaardigheden van de ouders en anderzijds wordt door het weinige contact het hechtingsproces met de ouders negatief beïnvloed. De komende periode is de betrokkenheid van de GI noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in de thuissituatie van de vader en de vaardigheden van de ouders. Bovendien zal er ingezet moeten worden op het bevorderen van de hechting van [minderjarige] met zijn ouders. De kinderrechter zal daarom [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar. De ouders en de oma stemmen hiermee in.
Zolang er nog geen duidelijkheid is over de thuissituatie van de vader en de mate van vrijwilligheid waarmee de moeder bij de vader verblijft, is het noodzakelijk dat [minderjarige] nog bij de oma in Nederland blijft wonen. Bovendien kan de Nederlandse ondertoezichtstelling niet worden uitgevoerd wanneer [minderjarige] in Duitsland verblijft en zal – wanneer de GI dat gewenst en noodzakelijk vindt – een overdracht van de uitvoering van de ondertoezichtstelling naar de Duitse autoriteiten tijd kosten. Voor dit verblijf bij de oma is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De kinderrechter zal deze daarom verlenen.
Namens en door de ouders is de zorg naar voren gebracht dat [minderjarige] niet meer bij de ouders zal worden thuisgeplaatst, wanneer de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor de verzochte duur van negen maanden. Een argument zou dan kunnen zijn dat [minderjarige] tegen die tijd onvoldoende gehecht is aan zijn ouders omdat hij ze zo weinig heeft kunnen zien. De kinderrechter deelt, mede vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige], deze zorg en zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van vier maanden en het overige deel van het verzoek aanhouden. Omdat de onduidelijkheid over de thuissituatie van de vader mede de noodzaak voor de uithuisplaatsing bepaalt, is het van groot belang dat hier binnen de komende vier maanden meer informatie over komt. Het is nu aan de GI om deze informatie bij de Centrale Autoriteit op de vragen. De kinderrechter hoopt dat de Centrale Autoriteit snel het informatieverzoek aan het Jugendamt kan oppakken, zodat de GI de kinderrechter over drie maanden kan informeren over hoe het met [minderjarige] en de mensen om hem heen gaat, over de thuissituatie van de vader en over het contact van [minderjarige] met zijn ouders.
De beslissing tot het onder toezicht stellen van [minderjarige] wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_b74ce0c6-6153-4dc2-9a9b-b75ffe4771e3]
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 21 juli 2026 tot 21 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oma (moederszijde) met ingang van 21 juli 2026 tot 21 november 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 21 november 2026, tegen welke zitting de Raad, de GI, de vader, de moeder met haar advocaat en de oma met haar advocaat dienen te worden opgeroepen;
verzoekt de GI de kinderrechter uiterlijk 21 oktober 2026 schriftelijk te informeren over:
- hoe het met [minderjarige] en de mensen om hem heen gaat,
- de thuissituatie van de vader in Duitsland,
- het contact van [minderjarige] met zijn ouders,
- overige informatie die noodzakelijk is voor de beoordeling van de verdere beoordeling van de machtiging tot uithuisplaatsing;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. M.M. Janssen - Witteveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 27 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.