Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 5 augustus 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5584Zaaknummer 11919696 \ UC EXPL 25-7996

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Publicatiedatum
18 augustus 2026
Zaaknummer
11919696 \ UC EXPL 25-7996
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident Brussel I-bis. Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 7 Brussel I-bis. Geen bevoegdheid op grond van artikel 18 Brussel I-bis. Eiser in het incident is geen consument in de zin van artikel 17 Brussel I-bis.

4 De beslissing

De kantonrechter

in het incident

4.1

wijst het gevorderde af,

4.2

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 50,00,

4.3

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

in de hoofdzaak

4.4

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 2 september 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord,

4.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Scharrenborg en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.

64510

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 11919696 \ UC EXPL 25-7996

Vonnis in incident van 5 augustus 2026

in de zaak van

[eiser], HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam],

wonende te [plaats 1],

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [eiser],

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde], ZONDER BEKENDE WOON- OF VERBLIJFPLAATS IN NEDERLAND,

wonende te [plaats 2], Portugese Republiek,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: W.E. van Bentem.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 11 maart 2026 waarin een mondelinge behandeling in het incident is bepaald,

- de mondelinge behandeling van 22 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2

Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis in het incident komt.

2 De kern van de zaak

2.1

Tussen partijen is in geschil of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [eiser]. Volgens [gedaagde] is de Portugese rechter bevoegd, omdat hij in Portugal woont en een consument is. [eiser] betwist dat [gedaagde] in Portugal woont en volgens hem zijn de werkzaamheden (waarvoor hij betaling vordert in de hoofdzaak) in Nederland uitgevoerd en is daarom de Nederlandse rechter bevoegd. De kantonrechter geeft [eiser] gelijk.

3 De beoordeling

in het incident

3.1

[eiser] heeft een vordering (in de hoofdzaak) ingesteld voor de Nederlandse rechter. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij in Portugal woont sinds 2005 en dat hij daar ingeschreven staat. Volgens hem is de Nederlandse rechter niet bevoegd om over het geschil kennis te nemen, maar de Portugese rechter. [eiser] betwist dat. Volgens hem woont [gedaagde] in Nederland en heeft hij ook in het verleden altijd in Nederland gewoond. Daarnaast zijn de werkzaamheden, waarvan hij in de hoofdzaak betaling vordert, in Nederland uitgevoerd.

3.2

De kantonrechter neemt, zonder over te gaan tot vaststelling van de woonplaats van [gedaagde], als uitgangspunt bij de beoordeling dat [gedaagde] in Portugal woont. De kantonrechter gaat voorbij aan de vaststelling van deze feiten, omdat ook als dit vast zou komen te staan, de incidentele vordering van [gedaagde] niet kan worden toegewezen. Dit wordt hierna uitgelegd.

3.3

Er is sprake van een zaak met een internationaal karakter. De Brussel I-bis verordening[_78e0df1b-8084-4bd1-8a62-1108a5069729] is van toepassing, omdat Portugal een lidstaat van de Europese Unie is.

3.4

Volgens de hoofdregel in artikel 4 Brussel I-bis wordt een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen voor het gerecht van die lidstaat. In beginsel is dus de Portugese rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen. Artikel 5 lid 1 Brussel I-bis bepaalt dat hiervan slechts kan worden afgeweken op grond van de in afdeling 2 tot en met 7 Brussel I-bis gegeven regels.

3.5

Volgens artikel 7 Brussel I-bis kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ten aanzien van een verbintenis uit een overeenkomst worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Niet in geschil is dat de werkzaamheden in Nederland zijn uitgevoerd. De Nederlandse rechter is daarom ook bevoegd om van dit geschil kennis te nemen. De bijzondere bevoegdheidsgronden van artikel 7 vormen een alternatief voor de hoofdregel van artikel 4. De eisende partij mag, te zijner keuze, de verwerende partij oproepen voor de rechter van de lidstaat waar deze verweerder woonplaats heeft of voor de krachtens artikel 7 bevoegde rechter. Op grond van dit laatste artikel acht de kantonrechter in Midden-Nederland zich bevoegd.

3.6

[gedaagde] voert nog aan dat hij consument is in de zin van Brussel I-bis en daarom op grond van artikel 18 lid 2 Brussel I-bis alleen voor de Portugese rechter gedagvaard kan worden. Dit standpunt wordt verworpen.

3.7

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] in dit geschil niet is aan te merken als een consument in de zin van Brussel I-bis zodat de kantonrechter zich op die grond niet onbevoegd dient te verklaren. Afdeling 4 van Brussel I-bis is alleen van toepassing als er is voldaan aan drie voorwaarden:

  • dat een contractpartij een consument is die handelt in een kader dat niet als bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd;
  • dat de overeenkomst tussen deze consument en een beroepsbeoefenaar daadwerkelijk is gesloten; en
  • dat een dergelijke overeenkomst valt onder een van de in lid 1, onder a tot en met c, van artikel 17 Brussel I-bis bedoelde categorieën.

Dit zijn cumulatieve voorwaarden. Als er aan een van de drie voorwaarden niet is voldaan, kan de bevoegdheid niet worden vastgesteld volgens de regels inzake door consumenten gesloten overeenkomsten.[_8820dbbf-95d6-469f-9fd6-08076da1b10c]

3.8

[eiser] baseert zijn vordering op een tussen [eiser] en [gedaagde] gesloten overeenkomst. Deze overeenkomst valt niet onder de in artikel 17 lid 1 Brussel I-bis genoemde categorieën. Voor zover [gedaagde] heeft willen stellen dat [eiser] commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in Portugal althans zich richt op de Portugese markt, zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 onder c, is dit betwist door [eiser] en vervolgens niet verder onderbouwd door [gedaagde]. [eiser] heeft er bovendien op gewezen dat alle werkzaamheden en de contacten daaromheen in Nederland hebben plaatsgevonden en dat hij zelf namens [gedaagde] is benaderd via zijn toenmalige (Nederlandse) advocaat. Dit geschil valt ook niet onder de in artikel 17 lid 1 onder a en b genoemde categorieën zaken.

[gedaagde] moet de kosten van het incident vergoeden

3.9

Uit het voorgaande volgt dat de vordering in het incident zal worden afgewezen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Omdat [eiser] in persoon is verschenen, worden de reis-, verblijf- en verletkosten tot en met vandaag aan zijn kant ambtshalve vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 50,00.

3.10

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in de hoofdzaak

3.11

[gedaagde] heeft verzocht om het bevoegdheidsincident voor alle weren te behandelen en dat is gebeurd. Nu de beslissing is genomen dat de Nederlandse rechter bevoegd is, krijgt [gedaagde] een termijn om inhoudelijk op de dagvaarding te reageren.

3.12

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

De kantonrechter

in het incident

4.1

wijst het gevorderde af,

4.2

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 50,00,

4.3

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

in de hoofdzaak

4.4

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 2 september 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord,

4.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Scharrenborg en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.

64510

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.