Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Midden-Nederland, 16 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5533Zaaknummer C/16/607468 / FO RK 26-238
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/16/607468 / FO RK 26-238
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
wijziging hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie. afspraken uit ouderschapsplan nooit gestart/ nagekomen.
De rechtbank:
wijzigt de afspraken die partijen in het op 11 december 2023 door hen ondertekende ouderschapsplan hebben gemaakt over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1 (voornaam)], de zorgregeling en de bijdrage in de kosten ten behoeve van de kinderen;
bepaalt dat [minderjarige 1 (voornaam)] voortaan zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw;
stelt een zorgregeling vast, die inhoudt dat de kinderen bij de man verblijven:
- de ene week van zaterdag na voetbal tot maandag naar school;
- de andere week van maandag uit school tot dinsdag naar school;
bepaalt dat de man vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 163,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)];
bepaalt dat de man vanaf vandaag deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
bepaalt dat de man de bijdrage in de kosten van de kinderen in 2026 die hij reeds heeft gestort op de kinderrekening mag verrekenen met de bij punt 4.4. vastgestelde kinderalimentatie;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.M. van de Griendt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
| Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
Bijlage 1: draagkracht van de man
Bijlage 2: draagkracht van de vrouw
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/607468 / FO RK 26-238
Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie
Beschikking van 16 juli 2026
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende in [woonplaats 1],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H.L.D. van Holland,
tegen
[de man],
wonende in [woonplaats 2],
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.P.H.C. Swarts.
1 De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift met bijlage 1 van de vrouw, binnengekomen op 24 februari 2026;
- het bericht met bijlagen 2 tot en met 4 van de vrouw van 27 februari 2026;
- het bericht met bijlage 5 van de vrouw van 27 februari 2026
- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 11 van de man van 16 april 2026, met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken);
- het bericht met bijlage 12 van de man van 8 juni 2026;
- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 6 van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man van 8 juni 2026.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw met haar advocaat;
- de man met zijn advocaat;
- de heer [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
Tijdens de zitting heeft de vrouw haar salarisspecificatie van de maand mei 2026 overgelegd.
De rechtbank heeft de minderjarigen [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)], de zoon en dochter van partijen, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.
2 Waar de procedure over gaat
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad.
Zij hebben samen twee kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats 2].
[minderjarige 1 (voornaam)] staat ingeschreven op het adres van de man. [minderjarige 2 (voornaam)] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)]. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de kinderen nemen.
Partijen hebben in een op 11 december 2023 door hen ondertekend ouderschapsplan onder andere het volgende afgesproken:
- [minderjarige 1 (voornaam)] volgt de hoofdverblijfplaats van de man en [minderjarige 2 (voornaam)] volgt de hoofdverblijfplaats van de vrouw;
- er is sprake van co-ouderschap;
- er wordt gebruik gemaakt van een kinderrekening, waar de man € 250,- op stort en de vrouw € 121,- op stort. De ontvangen kinderbijslag wordt rechtstreeks op de kinderrekening bijgeschreven.
De vrouw verzoekt de rechtbank om het ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen dat:
I. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1 (voornaam)] bij de vrouw zal zijn en daar ingeschreven zal worden door de vrouw, althans aan haar vervangende toestemming daartoe te verlenen;
II. de man een zorgregeling zal krijgen waarbij de kinderen om de week van zondagmiddag 12.00 uur tot maandagochtend bij de man zullen zijn;
III. de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling dient te betalen € 568,- per maand voor beide kinderen, aldus € 284,- per maand per kind, met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2025, subsidiair vanaf 24 september 2025, meer subsidiair vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, of per datum van de beschikking althans een zodanig bedrag vanaf een bepaalde datum in goede justitie te bepalen,
waarbij de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en wil dat de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk wordt verklaard of dat de verzoeken worden afgewezen. Daarnaast verzoekt de man de rechtbank – als zelfstandige verzoeken – om:
i. te bepalen dat de vrouw het totaalbedrag dat zij van de bankrekening van de kinderen heeft gehaald op 7 januari 2026 ten bedrage van in totaal € 3.756,07 binnen 7 dagen na de te wijzen beschikking voldoet op de bankrekening van de kinderen: [rekeningnummer], dan wel subsidiair te bepalen dat het bedrag van
€ 3.756,07 respectievelijk het bedrag van € 2.650,- (€ 2.400,- voorschot voor 2026 + € 250,- op 29 december 2025 betaalde bijdrage voor januari 2026) dat de vrouw van de kindrekening heeft afgehaald, vermeerderd met de door de man tot op heden maandelijks op de kindrekening gestorte € 50,-, door de man kan worden verrekend met zijn bijdrage voor de kinderen voor de periode 2026 en eventueel erna;
te bepalen dat de vrouw de zorg- en contactregeling als opgenomen in het ouderschapsplan van 11 december 2023 dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag of dagdeel dat zij deze regeling niet nakomt;
en voorwaardelijk indien de rechtbank besluit tot een gewijzigde bijdrage van de man in de kosten van de kinderen te voldoen aan de vrouw
te bepalen dat het eventuele tekort/aanvullende bedrag dat de man de vrouw hierdoor moet voldoen dan wel de per beschikking gewijzigde bijdrage die de man vanaf beschikking moet voldoen, door de man verrekend mag worden met het door de man reeds betaalde — en door de vrouw toegeëigende- bedrag van € 3.756,07 respectievelijk het bedrag van € 2.650,- (€ 2.400,- voorschot voor 2026 + € 250,- op 29 december 2025 betaalde bijdrage voor januari 2026) dat de vrouw van de kindrekening heeft afgehaald, vermeerderd met het door de man tot op heden maandelijks op de kindrekening gestorte bedrag van € 50,-.
De vrouw is het niet eens met de zelfstandige verzoeken van de man en wil dat deze worden afgewezen.
3 De beoordeling
De hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1 (voornaam)]
De rechtbank zal het ouderschapsplan wijzigen en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1 (voornaam)] vaststellen bij de vrouw. Dit betekent dat [minderjarige 1 (voornaam)] voortaan bij de vrouw woont en op haar adres in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven zal staan. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Toen partijen de afspraak in het ouderschapsplan maakten dat [minderjarige 1 (voornaam)] de hoofdverblijfplaats van de man zal volgen en [minderjarige 2 (voornaam)] de hoofdverblijfplaats van de vrouw, was het de bedoeling van partijen dat zij uitvoering zouden gaan geven aan een co-ouderschap. Maar sinds de man op 1 mei 2025 de echtelijke woning verliet is er tot op heden nog geen sprake geweest van uitvoering van deze co-ouderschapsregeling. Beide kinderen verblijven de meeste dagen van de week bij de vrouw. De omstandigheden zijn dus gewijzigd. De rechtbank is het met de vrouw eens dat de juridische situatie in overeenstemming moet worden gebracht met de feitelijke situatie. Dat het volgens de man nog steeds de bedoeling is om toe te werken naar een co-ouderschap, verandert dit niet. Het valt namelijk niet te verwachten dat binnen afzienbare tijd het in het ouderschapsplan afgesproken co-ouderschap zal worden uitgevoerd. Daar wijkt de regeling waar partijen nu voorlopig uitvoering aan geven te veel van af.
De zorgregeling
De rechtbank zal het ouderschapsplan wijzigen en een zorgregeling vaststellen, die inhoudt dat de kinderen bij de man verblijven:
- de ene week van zaterdag na voetbal tot maandag naar school/opvang;
- de andere week van maandag uit school/opvang tot dinsdag naar school/opvang.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Partijen hebben in het verleden, toen zij nog samen in één woning verbleven, een co-ouderschapsregeling afgesproken. Sinds partijen ruim een jaar geleden ieder eigen woonruimte hebben, is deze co-ouderschapsregeling echter niet in gegaan. De kinderen verblijven het grootste deel van de tijd bij de moeder en de uitbereiding vindt niet plaats. De vader geeft op de zitting ook aan dat dat langzaam gaat, met soms een stap terug, omdat het tempo van de kinderen gevolgd wordt. Omdat partijen geen uitvoering geven aan het in het ouderschapsplan afgesproken co-ouderschap en het niet de verwachting is dat dit op korte termijn anders zal zijn, is er sprake van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank kan daarom de zorgregeling wijzigen.
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat het belangrijk is dat er een nieuwe vaste regeling wordt vastgesteld. De kinderen lijken nu aan te kunnen geven wanneer zij wel of niet bij hun vader willen zijn en dat is niet de bedoeling, zeker niet op deze leeftijd. Er moet een regeling zijn die beide ouders nakomen zodat voor de kinderen duidelijk is wanneer zij bij welke ouder zijn. De verwachting is dat wanneer de ouders deze duidelijkheid uitstralen de kinderen daar in mee zullen gaan. Het kan zijn dat de kinderen even moeten wennen en dat [minderjarige 2 (voornaam)] bijvoorbeeld een tijdje minder goed slaapt als zij bij de vader verblijft. Dat is geen reden om de regeling niet vast te stellen of niet na te komen. Bovendien dient voor beide kinderen dezelfde regeling te gelden, niet zoals nu een verschillende. De kinderen kunnen dan samen bij de vader verblijven en daar een fijne tijd hebben. De rechtbank heeft namelijk geen zorgen over de opvoedsituatie bij de vader thuis.
De zorgregeling die nu zal gelden, sluit zoveel mogelijk aan bij de regeling waar partijen nu voorlopig uitvoering aan geven. Dit is in het belang van de kinderen omdat zij hier al aan gewend zijn. Hierdoor verandert er voor de kinderen zo min mogelijk. De kinderen gaan nu meestal op zondagmiddag naar de man. Daar zal de rechtbank in de ene week zaterdag van maken, omdat de kinderen dan meer tijd met de man kunnen doorbrengen (zonder naar school/opvang te moeten). Beide partijen hebben tijdens de zitting gezegd dat een goed idee te vinden. Het weekend in de andere week kunnen de kinderen dan volledig met de vrouw doorbrengen. In de andere week zijn de kinderen dan op een doordeweekse dag/ nacht bij de vader, zodat de vader ook in het weekritme van de kinderen betrokken is en contact met school kan onderhouden.
De rechtbank verwacht dat partijen de zorgregeling die zij zal vaststellen gewoon zullen nakomen. De rechtbank ziet geen reden om een dwangsom op te leggen.
De kinderalimentatie
De rechtbank zal het ouderschapsplan wijzigen en bepalen dat de man vanaf
1 januari 2026 een bedrag van € 163,- per kind per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] aan de vrouw moet betalen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de man het bedrag dat hij reeds op de kinderrekening heeft gestort als bijdrage in de kosten van de kinderen in 2026 met de door hem te betalen kinderalimentatie mag verrekenen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De reden voor de wijziging
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd.[_78079b05-e52c-4a06-9074-d890fd33866e] Daarvan is in dit geval sprake. Partijen hebben destijds in het ouderschapsplan afspraken gemaakt over de bijdrage in de kosten van de kinderen in geval van co-ouderschap. Er is echter geen sprake van co-ouderschap. Bij de zorgregeling die de rechtbank nu zal vaststellen, past een kinderrekening minder goed. Daarnaast maakt het voorbeeld tijdens de zitting van kleding voor de kinderen kopen bij de [winkelnaam] duidelijk dat de samenwerking tussen partijen op dit moment niet goed genoeg is om succesvol gebruik te maken van een kinderrekening.
De ingangsdatum
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum 1 januari 2026. Op 24 september 2025 heeft de vrouw de man een bericht gestuurd, waarin zij aangeeft dat zij het ouderschapsplan wil aanpassen, omdat het niet aansluit op de realiteit en dat partijen dan ook een mediator of overheidsinstantie kunnen vragen om te berekenen welke bijdrage de man in de kosten van de kinderen moet betalen. De man had moeten begrijpen en kon op vragen van de rechter tijdens de zitting ook wel antwoorden dat dit verzoek tot wijziging van de financiële afspraken over de kosten van de kinderen hierna onderdeel van het gesprek tussen partijen was. Uiteindelijk mailt de vrouw de man op 7 januari 2026 onder andere dat zij hem meerdere malen heeft aangesproken over de kinderalimentatie en dat haar advocaat op korte termijn een procedure zal starten. De rechtbank vindt gelet hierop dat de man er vanaf
1 januari 2026 zeker rekening mee had kunnen houden dat de bijdrage die hij voor de kinderen moet betalen, zal wijzigen.
De behoefte van de kinderen
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] vast op een bedrag van € 1.464,- per maand, dus € 732,- per kind per maand.
Partijen hebben in het ouderschapsplan berekend dat de behoefte van de kinderen in 2023 € 1.237,- bedraagt. De rechtbank heeft van partijen geen inhoudelijke bezwaren tegen dit bedrag gehoord en ziet zelf ook geen aanleiding om de behoefte opnieuw te berekenen. Wel zal de rechtbank het bedrag corrigeren in verband met de inflatie. Geïndexeerd bedraagt de behoefte in 2026 € 1.464,- per maand.
De draagkracht van de ouders
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kinderen voorzien.[_7ccfcfc2-8f80-4663-b2fb-2806a02c4c32]
Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.200,- per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
De draagkracht van de man
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 455,- per maand.[_677495d8-ffd1-4767-bbbc-7b68115159c7] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de door de man overgelegde salarisspecificaties van de maanden januari tot en met maart en mei 2026. Partijen zijn het eens dat van deze salarisspecificaties moet worden uitgegaan. Daaruit blijkt een basissalaris van
€ 3.288,- per maand, een maandelijkse opbouw van 8% vakantiegeld en een ingehouden pensioenpremie van € 98,63 per maand. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2.879,- per maand.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van (70% [2.879 – (0,3 x 2.879 + 1.365)]=) € 455,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 535,- per maand.[_2d0931f5-a27d-496e-ab09-5aac6cdb4ab4] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de door de vrouw tijdens de zitting overgelegde salarisspecificatie van de maand mei 2026. Partijen zijn het (uiteindelijk) eens dat van deze salarisspecificatie moet worden uitgegaan. Daaruit blijkt een basissalaris van
€ 2.250,- per maand, een maandelijkse opbouw van 8% vakantiegeld, een ingehouden pensioenpremie van € 88,28 per maand en een ingehouden WGA premie van € 14,89 per maand. Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.042,- per maand.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de vrouw een draagkracht van (70% [3.042 – (0,3 x 3.042 + 1.365)]=) € 535,- per maand.
De verdeling van de kosten
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)]. Hun gezamenlijke draagkracht is € 990,- per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.464,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 474,- per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met € 455,- per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.
De zorgkorting
De man maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor onder andere eten en drinken en energielasten: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. De rechtbank kan de bijdrage van de man verlagen met een percentage van de behoefte van de kinderen of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.
Uitgaande van de zorgregeling die de rechtbank zal vaststellen en de vakantieregeling die partijen hebben afgesproken in het ouderschapsplan verblijven de kinderen gemiddeld twee dagen per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 25% van de behoefte, dus € 366,- per maand. Maar omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zou het niet eerlijk zijn als de man deze korting volledig mag toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet tenslotte ook kosten voor de kinderen maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. De rechtbank vindt het in zo’n geval redelijk dat ieder de helft van het tekort draagt, dus een bedrag van € 237,- per maand. Dit betekent dat de rechtbank slechts een zorgkorting van (366 -/- 237 =) € 129,- per maand in mindering brengt op de draagkracht van de man. Er blijft dan een bedrag over van
(455 -/- 129 =) € 326,- per maand, dus € 163,- per kind per maand, dat de man aan kinderalimentatie moet betalen.
De kinderalimentatie vooruitbetalen
De rechtbank zal bepalen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De reeds betaalde bijdrage mag worden verrekend
De man heeft al een bijdrage in de kosten van de kinderen in 2026 gestort op de kinderrekening. Op 29 december 2025 een bedrag van € 250,- (voor januari 2026), op
31 december 2025 een bedrag van € 2.400,- (voorschot voor het hele jaar 2026) en vanaf januari 2026 tot op heden een bedrag van € 50,- per maand. Deze bedragen mag de man verrekenen met de door hem te betalen kinderalimentatie vanaf 1 januari 2026 die de rechtbank zal vaststellen. Anders zou de man namelijk dubbel betalen.
De door de vrouw van de kinderrekening gehaalde bedragen
De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw het totaalbedrag van € 3.756,07 dat zij van de kinderrekening heeft gehaald moet voldoen op de bankrekening van de kinderen, afwijzen. Een wettelijke grondslag voor dit verzoek ontbreekt namelijk. Wel gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw het geld gebruikt (heeft) voor de kinderen. Voor het deel van het bedrag dat ziet op de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen in 2026 heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat de man dit bedrag mag verrekenen met de door hem te betalen kinderalimentatie die de rechtbank zal vaststellen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De proceskosten
De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.
4 De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de afspraken die partijen in het op 11 december 2023 door hen ondertekende ouderschapsplan hebben gemaakt over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1 (voornaam)], de zorgregeling en de bijdrage in de kosten ten behoeve van de kinderen;
bepaalt dat [minderjarige 1 (voornaam)] voortaan zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw;
stelt een zorgregeling vast, die inhoudt dat de kinderen bij de man verblijven:
- de ene week van zaterdag na voetbal tot maandag naar school;
- de andere week van maandag uit school tot dinsdag naar school;
bepaalt dat de man vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 163,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)];
bepaalt dat de man vanaf vandaag deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
bepaalt dat de man de bijdrage in de kosten van de kinderen in 2026 die hij reeds heeft gestort op de kinderrekening mag verrekenen met de bij punt 4.4. vastgestelde kinderalimentatie;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.M. van de Griendt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
| Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
Bijlage 1: draagkracht van de man
Bijlage 2: draagkracht van de vrouw
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.