Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 16 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5531Zaaknummer C/16/606222 / FO RK 26-96

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/16/606222 / FO RK 26-96
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking, Tussenbeschikking
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Informele rechtsingang, geen ambtshalve beslissing gelet op verzoeken van ouders. Hoofdverblijf wijzigen naar moeder, aanhouden verzoek contactregeling met vader in afwachting van hulpverlening

De rechtbank:

4.1

neemt geen ambtshalve beslissing over [minderjarige (voornaam)];

4.2

wijzigt de beschikking van 18 mei 2021;

4.3

bepaalt dat [minderjarige (voornaam)] voortaan zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;

4.4

houdt de beslissing over de zorgregeling tussen [minderjarige (voornaam)] en de vader aan tot 18 december 2026 pro forma, in afwachting van de uitkomst van (het overleg met) de hulpverlening, met het verzoek aan de advocaten van de ouders om tijdig voor die datum te laten weten:

  • of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;
  • of een nieuwe zitting nodig is;
  • of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;
4.5

in het geval een nieuwe zitting zal plaatsvinden: het verzoek aan de ouders om tijdig voor die datum de rechtbank te berichten hoe de hulpverlening verloopt (inclusief het overleggen van verslagen), of er al concrete stappen zijn gezet in het contact tussen de vader en [minderjarige (voornaam)], en (zo nodig) hun verzoeken aan te vullen met een concrete contactregeling tussen [minderjarige (voornaam)] en de vader;

4.6

wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. R. Jelicic, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 Waar de procedure over gaat
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/606222 / FO RK 26-96

Informele rechtsingang en hoofdverblijfplaats

Beschikking van 16 juli 2026

op de aanvraag van

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,hierna te noemen: [minderjarige (voornaam)].

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen: de vader,advocaat mr. M. van Hunnik,

en

[belanghebbende 2] ,wonende op een bij de rechtbank bekend adres,hierna te noemen: de moeder,advocaat mr. K.R. Koopman,

en in de zaak van:

[belanghebbende 1] ,wonende op een bij de rechtbank bekend adres,hierna te noemen: de vader,advocaat mr. M. van Hunnik,

tegen

[belanghebbende 2],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K.R. Koopman.

1 De procedure

1.1

De rechtbank heeft op 30 januari 2026 de e-mail ontvangen die [minderjarige (voornaam)] heeft gestuurd.

1.2

Op 9 februari 2026 heeft [minderjarige (voornaam)] in een gesprek met de kinderrechter van deze rechtbank gesproken over deze brief.

1.3

In een brief van 13 februari 2026 heeft de rechtbank de ouders ingelicht over het gesprek met [minderjarige (voornaam)] en hen uitgenodigd voor een zitting om hun mening over de wensen van [minderjarige (voornaam)] aan de rechtbank kenbaar te maken.

1.4

Voor de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen van de vader van 16 maart 2026;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 16 maart 2026;
  • het aanvullende verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 16 juni 2026.
1.5

De verzoeken zouden oorspronkelijk besproken worden tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 13 maart 2026. Deze zitting ging hier door. De verzoeken zijn vervolgens tijdens de zitting van 18 juni 2026 besproken. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
1.6

Ook de Raad voor de Kinderbescherming was voor deze zitting uitgenodigd. De Raad voor de Kinderbescherming heeft zich vooraf afgemeld voor de zitting, omdat er geen zittingsvertegenwoordiger beschikbaar was.

1.7

Omdat de zitting van 13 maart 2026 is verplaatst naar 18 juni 2026 heeft [minderjarige (voornaam)] op 16 juni 2026 nogmaals een gesprek met de kinderrechter gehad.

2 Waar de procedure over gaat

2.1

De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.

2.2

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige (voornaam)]. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem nemen.

2.3

In de beschikking van 18 mei 2021 heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige (voornaam)] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en dat de vrouw van de vader, mevrouw [A], ten aanzien van [minderjarige (voornaam)] het recht heeft om geïnformeerd te worden over en informatie te delen met betrekking tot de verzorging en opvoeding, schoolvoortgang, medische aangelegenheden en al hetgeen op [minderjarige (voornaam)] betrekking heeft door onder meer de school, de hulpverlening en overige instanties of derden aan wie de zorg voor [minderjarige (voornaam)] tijdelijk wordt toevertrouwd en dat de stiefmoeder het recht heeft gesprekken bij te wonen met betrekking tot de verzorging en opvoeding, schoolvoortgang en medische aangelegenheden.

2.4

Bij beschikking van 28 maart 2023 heeft de rechtbank beslist dat [minderjarige (voornaam)] eenmaal in de veertien dagen van vrijdagmiddag uit school of 14.00 uur tot en met maandagochtend naar school of 10.00 uur bij de moeder is. 2.5 [minderjarige (voornaam)] heeft in het kader van de informele rechtsingang aangegeven dat hij graag bij de moeder wil wonen en voorlopig geen contact met de vader wil.

2.6

De vader heeft de rechtbank verzocht geen ambtshalve beslissing te nemen in de informele rechtsingang. Verder heeft hij verzocht aan het Centrum Jeugd & Gezin (CJG) en Echtkinderachtig dan wel vergelijkbare hulpverlening opdracht te geven gesprekken te voeren op neutraal terrein tussen [minderjarige (voornaam)], de vader en aansluitend ook mevrouw [A] met als doel, op basis van een duidelijk plan van aanpak met een heldere tijdlijn:

  • dat [minderjarige (voornaam)] gaat terugkeren in het gezin van de vader;
  • dat per omgaande voor [minderjarige (voornaam)] traumabehandeling gaat starten zo nodig met de vervangende toestemming van de rechtbank ten aanzien van de wilsuiting van de moeder;
  • dat onder regie van de hulpverlening onder uitvoering van punt 1. en 2. gezocht wordt naar het hervatten van de reguliere regeling waarbij [minderjarige (voornaam)] om het weekend bij de moeder verblijft nadat hij in het gezin van de vader is teruggekeerd.

De vader heeft de rechtbank subsidiair verzocht om twee bijzondere curatoren te benoemen om in het belang van [minderjarige (voornaam)] te rapporteren en te adviseren over de belangenstrijd en de daarmee gepaard gaande klemsituatie en via hun inzet en betrokkenheid de belangen van [minderjarige (voornaam)] te onderzoeken.

2.7

De moeder heeft de wens van [minderjarige (voornaam)] overgenomen in haar verzoek. Zij verzoekt de rechtbank:

bij wijze van voorlopige voorziening:

1. te bepalen dat [minderjarige (voornaam)] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;

in de bodemprocedure:

2. te bepalen dat [minderjarige (voornaam)] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;

3. vervangende toestemming te verlenen aan de moeder voor de aanvraag van een paspoort voor [minderjarige (voornaam)];

4. vervangende toestemming te verlenen aan de moeder voor deelname van [minderjarige (voornaam)] aan een meerdaagse schoolexcursie naar Engeland;

5. de vader te veroordelen om de identiteitskaart van [minderjarige (voornaam)] binnen twee dagen na de betekening van deze te wijzen beschikking af te geven aan de moeder;

6. de vader te veroordelen om de zorgpas van [minderjarige (voornaam)] binnen twee dagen na betekening van deze te wijzen beschikking af te geven aan de moeder;

7. te bepalen dat de vader een dwangsom verbeurt van € 200,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vader na betekening van deze te wijzen beschikking in gebreken blijft te voldoen aan de onder 4. en 5. genoemde veroordelingen, met een maximum van € 5.000,-.;

8. de beschikking van 18 mei 2021 te wijzigen in die zin dat mevrouw [A] ten aanzien van [minderjarige (voornaam)] geen recht (meer) heeft op informatie over zijn verzorging, opvoeding, schoolvoortgang, medische aangelegenheden en al hetgeen hem betreft en geen recht heeft gesprekken over hem bij te wonen.

3 De beoordeling

De beslissing 3.1 De rechtbank bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] bij de moeder is en houdt het verzoek over de contactregeling met de vader aan. De overige verzoeken wijst de rechtbank af. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

De informele rechtsingang 3.2 De moeder heeft naar aanleiding van de wens van [minderjarige (voornaam)] een verzoekschrift ingediend waarin zij het verzoek van [minderjarige (voornaam)] overneemt. In het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de vader leest de rechtbank een verzoek om contact met [minderjarige (voornaam)]. Dit betekent dat de procedure nu verder tussen de ouders wordt voortgezet en dat de kinderrechter geen ambtshalve beslissing zal nemen in de informele rechtsingang.

Verzoeken over paspoort, schoolexcursie Engeland, identiteitskaart, zorgpas en dwangsom 3.3 De moeder heeft tijdens de zitting toegelicht dat haar verzoeken onder punt 3 tot en met 7 van haar verzoekschrift niet langer relevant zijn en zij deze intrekt. Hierdoor hoeft de rechtbank hier geen beslissing over te nemen.

Provisionele voorziening 3.4 De behandeling van het verzoek om een provisionele voorziening heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het verzoek in de bodemprocedure. Gelet hierop heeft de moeder geen belang meer bij een provisionele voorziening. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder daarom afwijzen.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

3.5

Uit de overgelegde stukken en het gesprek tijdens de zitting is gebleken dat [minderjarige (voornaam)] de afgelopen jaren veel heeft meegemaakt en vaker van hoofdverblijfplaats is gewisseld. [minderjarige (voornaam)] heeft last van de ingewikkelde scheiding tussen de ouders en de moeizame relatie die zij hebben. [minderjarige (voornaam)] verblijft sinds december 2025 bij de moeder. Hij ontwikkelt zich daar goed en het gaat goed met hem op school. [minderjarige (voornaam)] wil op dit moment geen contact met de vader. De rechtbank vindt het - mede gelet op zijn leeftijd - belangrijk om naar [minderjarige (voornaam)] te luisteren en niet tegen zijn wil in te bepalen dat hij weer bij de vader moet wonen. [minderjarige (voornaam)] volgt op dit moment traumatherapie. De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige (voornaam)] nu rust ervaart om deze therapie af te maken en de vervelende ervaringen uit het verleden een plek te geven. De rechtbank verwacht dat de beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] bij de moeder te bepalen hem deze rust zal geven.

3.6

Tijdens de zitting hebben beide ouders gezegd dat zij willen dat er contactherstel plaatsvindt tussen [minderjarige (voornaam)] en de vader. Dit vindt de rechtbank ook belangrijk. Het CJG is betrokken en volgens de moeder kan ook de hulpverlening van Echtkinderachtig een rol spelen in het opstellen van een plan om het contact tussen [minderjarige (voornaam)] en de vader weer te herstellen. De rechtbank zal daarom het verzoek over de zorgregeling aanhouden voor de duur van zes maanden, dus tot 18 december 2026. De rechtbank verzoekt de advocaten van de ouders om voor die datum te laten weten hoe de hulpverlening verloopt en of er al concrete stappen zijn gezet in het contact tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] en eventueel hun verzoeken aan te vullen over de concrete invulling van dit contact.

Bijzondere curator 3.7 De rechtbank zal geen bijzondere curator voor [minderjarige (voornaam)] benoemen. [minderjarige (voornaam)] heeft al twee hulpverleners van Echtkinderachtig met wie hij een vertrouwensband heeft opgebouwd. De rechtbank vindt het niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] als hij met nog een persoon een vertrouwensband moet opbouwen en in gesprek moet. Bij een eventuele vervolgzitting kunnen de ouders (verdere) verslagen van deze hulpverlening overleggen aan de rechtbank.

Informatieregeling

3.8

De rechtbank zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om de informatieregeling van mevrouw [A] te wijzigen, omdat mevrouw [A] geen procespartij is in deze procedure. De rechtbank gaat er wel van uit dat nu [minderjarige (voornaam)] bij de moeder woont, voor mevrouw [A] weinig tot geen aanleiding bestaat om te informeren over [minderjarige (voornaam)] of overleggen over hem bij te wonen.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

3.9

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

3.10

Tegelijk met de beschikking stuurt de rechtbank een brief aan [minderjarige (voornaam)]. Daarin is het volgende opgenomen:

‘’Beste [minderjarige (voornaam)],

Een tijdje geleden hebben wij elkaar gesproken omdat je een brief aan de rechtbank had gestuurd. Jij hebt mij toen verteld dat je sinds december niet meer bij je vader, maar bij je moeder woont en dat je graag bij je moeder wil (blijven) wonen.

Na ons gesprek heb ik jouw ouders op 18 juni op de rechtbank gesproken. Jouw ouders hadden allebei een advocaat meegenomen naar dit gesprek. Jouw moeder heeft een tijdje geleden ook een verzoek aan de rechtbank gedaan om te bepalen dat jij bij haar mag blijven wonen. Ook jouw vader heeft de rechtbank een aantal dingen gevraagd. Omdat de verzoeken van jouw ouders over dezelfde onderwerpen gaan als de brief die jij mij gestuurd hebt, hoef ik niet meer op jouw verzoek te beslissen, maar kan ik op hun verzoeken beslissen. Officieel betekent dit dat jouw eigen procedure is gestopt, maar in de praktijk blijf ik mij nog bezig houden met dezelfde vragen als die jij mij hebt gesteld.

Na de zitting heb ik beslist dat jij voortaan bij jouw moeder zal wonen. Hier gaat het goed met jou. Je geeft zelf aan dat je je hier fijn voelt, op school gaat het goed en hier is rust om de traumabehandeling die jij nu bent gestart goed te volgen.

Jouw vader vindt het lastig dat hij geen contact met jou heeft. En dat begrijp ik ook. Jij hebt mij verteld dat jij nu geen contact wil. Maar ik denk wel dat het goed is om te kijken of het in de toekomst wel weer mogelijk is om contact met jouw vader te hebben. Jouw moeder heeft mij verteld dat zij dat ook belangrijk vindt. Daarom is er nu nog geen contactregeling tussen jouw vader en jou bepaald, maar stel ik die beslissing nog even uit tot over zes maanden. In de tussentijd loopt jouw traumabehandeling door en krijg jij ook verder hulp van Echtkinderachtig. Misschien lukt het op die manier om eens goed met jouw vader te praten over wat er gebeurd is en wat jij niet fijn vindt om zo wel tot nieuwe afspraken te komen waar jij je ook goed bij voelt.

Ten slotte heb ik beslist dat ik de regeling dat jouw stiefmoeder ook bij jou betrokken is niet kan veranderen. Zij was immers niet bij deze zitting aanwezig en dan kan ik niet iets over haar beslissen. Wel heb ik in de uitspraak die naar jouw ouders is gestuurd opgenomen dat er nu niet veel reden is voor jouw stiefmoeder om informatie over jou in te winnen of bij overleggen te zijn, omdat jij daar niet meer woont.

Ik hoop dat je met deze uitleg begrijpt wat er is gebeurd, wat er is beslist en waarom dat is beslist. Als er over zes maanden nog een keer een zitting nodig is, dan zal ik je dat laten weten. Je wordt dan weer uitgenodigd voor een gesprek. Je mag dan komen, maar het hoeft natuurlijk niet.

Ik wens je voor nu een fijne zomer!’’

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1

neemt geen ambtshalve beslissing over [minderjarige (voornaam)];

4.2

wijzigt de beschikking van 18 mei 2021;

4.3

bepaalt dat [minderjarige (voornaam)] voortaan zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;

4.4

houdt de beslissing over de zorgregeling tussen [minderjarige (voornaam)] en de vader aan tot 18 december 2026 pro forma, in afwachting van de uitkomst van (het overleg met) de hulpverlening, met het verzoek aan de advocaten van de ouders om tijdig voor die datum te laten weten:

  • of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;
  • of een nieuwe zitting nodig is;
  • of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;
4.5

in het geval een nieuwe zitting zal plaatsvinden: het verzoek aan de ouders om tijdig voor die datum de rechtbank te berichten hoe de hulpverlening verloopt (inclusief het overleggen van verslagen), of er al concrete stappen zijn gezet in het contact tussen de vader en [minderjarige (voornaam)], en (zo nodig) hun verzoeken aan te vullen met een concrete contactregeling tussen [minderjarige (voornaam)] en de vader;

4.6

wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. R. Jelicic, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.