Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 3 april 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5515Zaaknummer 26/272

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
14 augustus 2026
Zaaknummer
26/272
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

BNT WIA bezwaar gegrond eerste ingebrekestelling te vroeg

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- dat eiseres heeft betaald moet betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Conclusie
  4. Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/272

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 18 juli 2025 tegen het besluit van 17 juni 2025.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.[_65885f20-eff7-49fb-be50-b31cee2c28b7]

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de

betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Eiseres heeft haar bezwaarschrift ingediend op 18 juli 2025. Verweerder heeft het

bezwaarschrift ontvangen op 24 juli 2025. Op 14 november 2025 en op 18 december 2025 heeft verweerder een ingebrekestelling van eiseres ontvangen. Verweerder heeft op 28 januari 2026 een verweerschrift ingediend. Hierin geeft hij aan dat hij de beslistermijn met de brief van 19 november 2025 met zes weken heeft verdaagd. Verweerder stelt dat de beslistermijn daarom nog tot 6 januari 2026 liep en dat de ingebrekestellingen daarom te vroeg zijn verstuurd.

4. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar is ingediend op 18 juli 2025 en een

beslistermijn kent van 17 weken, gerekend vanaf het einde van de bezwaartermijn.[_fdd714ea-eb15-4302-9468-63274b49e182] Verweerder heeft bij schrijven van 19 november 2025 de beslistermijn verlengd met zes weken. De uiterste datum voor het nemen van een beslissing was dus 6 januari 2026. Eiseres heeft verweerder in eerste instantie voor het verstrijken van die beslistermijn in gebreke gesteld. De rechtbank ziet in dit geval echter geen reden om het beroep van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een te vroeg verstuurde ingebrekestelling. Eiseres heeft namelijk op 24 januari 2026, dus na afloop van de beslistermijn, verweerder nogmaals in gebreke gesteld. Eiseres heeft weliswaar niet twee weken ná deze ingebrekestelling haar beroep ingesteld, maar inmiddels zijn al wel twee weken verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. Vanuit proceseconomisch oogpunt laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring achterwege. Als eiseres namelijk nu precies hetzelfde beroepschrift opnieuw zou indienen, zou dat beroep gegrond zijn. Dat verlangen van eiseres zou alleen maar tijd en geld kosten van eiseres, rechtbank en verweerder, terwijl het niets oplevert.

5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat

verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.

6. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan

verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025[_8c401ec4-14cd-4143-a631-c924d90c0ae1]. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.

7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke

dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van twee maanden na

verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.

9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 54,- aan

eiseres betalen. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- dat eiseres heeft betaald moet betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.