Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 23 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5490Zaaknummer UTR 26/1424

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
13 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/1424
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wht, Uht. Afwijzing verzoek compensatie ex-toeslagpartnerregeling omdat eiser niet aan de voorwaarde voldoet dat hij een voormalig toeslagpartner is geweest van een erkend gedupeerde aanvrager van de kinderopvangtoeslag, omdat de ex-partner van eiser nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en bij Dienst Toeslagen niet staat geregistreerd als erkend gedupeerde. De omstandigheid dat een van zijn kinderen € 10.000 heeft ontvangen ogv de Kindregeling, is door Dienst Toeslagen toegelicht dat na de echtscheiding van eiser en ex-partner de middelste dochter bij de ex-partner is blijven wonen. Op enig moment heeft deze dochter een eigen kind gekregen, en omdat zij nog inwonend was bij haar moeder en ouder was dan 27 was het gevolg hiervan dat de ex-partner van eiser en haar dochter elkaars toeslagpartner werden. Vervolgens heeft de dochter kinderopvangtoeslag ontvangen en is zij later aangemerkt als erkend gedupeerde. In het kader van de Catshuisregeling heeft zij daarom € 30.000,- ontvangen. Omdat de ex-partner van eiser op dat moment haar toeslagpartner was, ontvangen alle kinderen die aan de wettelijke voorwaarden voldoen compensatie op grond van de zogenoemde kindregeling. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de vaststelling dat de ex-partner van eiser geen erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire is en dat eiser daarom niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor de ex-partnerregeling. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026 door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier.

griffier rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  2. Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder
  3. Inleiding
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Het beroep op betalingsonmacht
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1424

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Eiser heeft zich bij Dienst Toeslagen gemeld voor de ex-toeslagpartnerregeling op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht). Dienst Toeslagen heeft per besluit van 14 oktober 2025 kenbaar gemaakt dat eiser geen recht heeft op de ex-toeslagpartnerregeling, omdat hij niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden.

2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, dat op 13 oktober 2025 door Dienst Toeslagen is ontvangen. Met de beslissing op bezwaar van 12 februari 2026 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

3. Eiser heeft beroep ingesteld. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

4. De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep op betalingsonmacht

5. Eiser heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan en daarbij verzocht om ontheffing van betaling van het griffierecht.

6. Ingevolge de artikelen 8:41 en 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voor het door eiser ingestelde beroepschrift € 54,00 aan griffierecht verschuldigd. Van de verplichting tot betaling van griffierecht kan ontheffing worden verleend, indien sprake is van betalingsonmacht. De rechtbank stelt vast dat eiser binnen de daartoe gestelde termijn het beroep op betalingsonmacht heeft gemotiveerd en ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd aanleiding om eiser van het heffen van griffierecht vrij te stellen, zodat eiser kan worden ontvangen in zijn beroep.

7. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Totstandkoming van het besluit

8. Eiser heeft zich op 29 oktober 2024 bij Dienst Toeslagen gemeld voor de ex-toeslagpartnerregeling omdat hij vindt dat hij in aanmerking komt voor de compensatie die voortvloeit uit artikel 2.14h, eerste lid, van de Wht. Op grond van dit artikel kan Dienst Toeslagen op aanvraag een compensatie toekennen van € 10.000,- aan een ex-partner van een erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire.

9. Dienst Toeslagen heeft per besluit van 14 oktober 2025 kenbaar gemaakt dat eiser geen recht heeft op de ex-toeslagpartnerregeling, omdat hij niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Volgens Dienst Toeslagen voldoet eiser niet aan de voorwaarde dat hij een voormalig toeslagpartner is geweest van een erkend gedupeerde aanvrager van de kinderopvangtoeslag, omdat de ex-partner van eiser nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en bij Dienst Toeslagen niet staat geregistreerd als erkend gedupeerde. Met het bestreden besluit is Dienst Toeslagen bij deze afwijzing gebleven.

Overwegingen

10. De vraag die hier voorligt is of Dienst Toeslagen het verzoek van eiser om compensatie op goede gronden heeft afgewezen.

Het juridisch kader

11. Uit artikel 2.14h, eerste lid, van de Wht, volgt dat Dienst Toeslagen op aanvraag een compensatie van € 10.000,- toekent aan een ex-partner, met dien verstande dat de compensatie nihil bedraagt indien een ex-partner eerder compensatie heeft ontvangen op grond van dit lid.

12. In artikel 2.14g van de Wht is het begrip ‘ex-partner’ nader gedefinieerd en zijn de voorwaarden voor het zijn van een ex-partner bepaald. Hieruit volgt dat onder ex-partner wordt verstaan, degene die:

  • partner was van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7;
  • zelf niet in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7; en
  • geen partner meer was van die aanvrager op de peildatum als gevolg van een omstandigheid anders dan het overlijden van die aanvrager.

Is eiser ex-toeslagpartner van een erkend gedupeerde?

13. Eiser stelt dat hij voldoet aan de voorwaarden van de ex-toeslagpartnerregeling omdat hij in de relevante periode toeslagpartner was van een aanvrager van kinderopvangtoeslag. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert eiser aan dat zijn ex-partner compensatie heeft ontvangen, eenmaal € 10.000,- en daarna nog eens € 20.000,-. Ook zijn kinderen hebben compensatie ontvangen op grond van de kindregeling: zijn dochter heeft € 30.000,- ontvangen en zijn andere twee kinderen ieder € 10.000,-. Volgens eiser kan de compensatie die zijn zoon heeft ontvangen uitsluitend voortvloeien uit het feit dat een van de ouders als gedupeerde is aangemerkt. Eiser heeft in dat kader een kopie van een bankafschrift overgelegd waaruit de ‘Tegemoetkoming Kindregeling’ van

€ 10.000,- aan zijn zoon blijkt.

14. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat eiser geen ex-toeslagpartner is geweest van een erkend gedupeerde aanvrager van de kinderopvangtoeslag. Hiermee wordt niet voldaan aan de eerste voorwaarde voor het in aanmerking komen voor de compensatie op grond van de ex-toeslagpartnerregeling. De ex-partner van eiser komt in de systemen van Dienst Toeslagen niet naar voren als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Er zijn geen beschikkingen teruggevonden waaruit zou blijken dat de ex-partner van eiser een erkend gedupeerde is van de kinderopvangtoeslagaffaire. Met gedupeerde aanvrager wordt bedoeld een aanvrager van de kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel op grond van de Wht. Uit de systemen van Dienst Toeslagen blijkt zelfs dat de ex-partner nooit een aanvraag kinderopvangtoeslag heeft ingediend. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit anders zou zijn en dat de ex-partner wel als erkend gedupeerde is aangemerkt.

15. De rechtbank volgt Dienst Toeslagen in het standpunt dat eiser geen ex-toeslagpartner is geweest van een erkend gedupeerde, omdat uit de systemen van Dienst Toeslagen niet blijkt dat de ex-partner van eiser geregistreerd staat als erkend gedupeerde. Zij komt in het systeem zelfs niet naar voren als aanvrager van kinderopvangtoeslag, wat ook wordt ondersteund in de omstandigheid dat het systeem van de kinderopvangtoeslag in werking trad in 2005 en de kinderen van eiser en zijn ex-partner toen al te oud waren om naar een opvang te gaan. Eiser heeft zijn standpunt niet met stukken nader onderbouwd. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat de ex-partner van eiser geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en alleen daarom al geen erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire kan zijn.

16. De enkele stelling van eiser dat zijn ex-partner en kinderen compensatie hebben ontvangen in het kader van de Wht, is daarvoor ook onvoldoende. Allereerst kan de rechtbank op basis van de beschikbare informatie in het dossier en het verhandelde ter zitting niet vaststellen dat de ex-partner van eiser € 30.000,- in het kader van de Catshuisregeling zou hebben ontvangen. Het dossier bevat wel een kopie van het bankafschrift waaruit blijkt dat een van zijn kinderen € 10.000,- heeft ontvangen onder de omschrijving ‘Tegemoetkoming Kindregeling’. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat dit leidt tot de conclusie dat zijn ex-partner erkend gedupeerde moet zijn geweest, overweegt de rechtbank als volgt. Door de gemachtigde van Dienst Toeslagen is op de zitting toegelicht dat na de echtscheiding van eiser en ex-partner de middelste dochter bij de ex-partner is blijven wonen. Op enig moment heeft deze dochter een eigen kind gekregen, en omdat zij nog inwonend was bij haar moeder en ouder was dan 27 was het gevolg hiervan dat de ex-partner van eiser en haar dochter elkaars toeslagpartner werden. Vervolgens heeft de dochter kinderopvangtoeslag ontvangen en is zij later aangemerkt als erkend gedupeerde. In het kader van de Catshuisregeling heeft zij daarom € 30.000,- ontvangen. Omdat de ex-partner van eiser op dat moment haar toeslagpartner was, ontvangen alle kinderen die aan de wettelijke voorwaarden voldoen compensatie op grond van de zogenoemde kindregeling. De rechtbank volgt deze uitleg en verklaring omtrent het door de zoon van eiser ontvangen bedrag van € 10.000,-. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de vaststelling dat de ex-partner van eiser geen erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire is en dat eiser daarom niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor de ex-partnerregeling. Gelet op voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van eiser om de ex-partner op te roepen als getuige, af. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft Dienst Toeslagen de afwijzing voldoende gemotiveerd?

17. Eiser vindt dat Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Volgens eiser is onvoldoende onderzocht of hij destijds toeslagpartner zou zijn geweest. Ook is eiser van mening dat de motivering onvoldoende zorgvuldig is. Daarom is volgens eiser sprake van schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

18. Ten aanzien van de motivering stelt Dienst Toeslagen primair dat er geen strijd is met het motiveringsbeginsel. Dienst Toeslagen stelt dat zowel in het bestreden besluit als in het primaire besluit is uiteengezet dat eiser niet in aanmerking komt voor de compensatie, omdat hij geen ex-toeslagpartner is geweest van een gedupeerde aanvrager. Subsidiair stelt Dienst Toeslagen dat wanneer er sprake zou zijn van een motiveringsgebrek, dit middels de uitleg in het verweerschrift is hersteld. Voor wat betreft het zorgvuldigheidsbeginsel stelt Dienst Toeslagen dat er geen sprake is van schending hiervan omdat deze stelling door eiser niet nader is onderbouwd. Dienst Toeslagen voert aan in haar systemen te hebben gezocht of eiser voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de compensatie, zowel naar aanleiding van de aanvraag van eiser als naar aanleiding van het bezwaarschrift. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiser hier niet aan voldoet. In de bezwaarfase heeft eiser de mogelijkheid gekregen om gehoord te worden en heeft hier ook gebruik van gemaakt. Volgens Dienst Toeslagen is er geen aanleiding om een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan te nemen.

19. De rechtbank vindt met Dienst Toeslagen dat de afwijzing voldoende is gemotiveerd. Dienst Toeslagen heeft duidelijk opgeschreven dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de ex-partnerregeling omdat zijn ex-partner geen erkend gedupeerde was. Pas in beroep heeft eiser stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt, waaruit blijkt dat een van zijn kinderen € 10.000,- heeft ontvangen. De rechtbank acht het daarom niet in strijd met het motiveringsbeginsel dat de toelichting daaromtrent door Dienst Toeslagen pas op de zitting is gegeven. Gelet op de uitleg door Dienst Toeslagen volgt de rechtbank ook het standpunt dat de afwijzing voldoende zorgvuldig was. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Is er sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel?

20. Ten slotte voert eiser aan dat de afwijzing van zijn verzoek leidt tot een onredelijke uitkomst.

21. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit standpunt door eiser onvoldoende onderbouwd. Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat de Wht een wet in formele zin is. Op grond van artikel 120 van de Grondwet treedt de rechter niet in de beoordeling van de grondwettigheid hiervan. Uit rechtspraak volgt dat er ondanks het toetsingsverbod soms ruimte is om tot een andere uitkomst te komen dan waar toepassing van een wettelijke bepaling toe leidt. Dit is het geval indien er zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen met algemene rechtsbeginselen dat die toepassing achterwege moet blijven. In de Memorie van Toelichting bij de Wht heeft de wetgever de door hem gemaakte keuzes, waaronder de voorwaarden voor de ex-toeslagpartnerregeling, toegelicht. Hieruit blijkt dat de wetgever expliciet ervoor heeft gekozen om de aanspraak van een ex-partner voor een compensatie afhankelijk te maken van de vastgestelde gedupeerdheid van de aanvrager van de kinderopvangtoeslag.[_ff64e246-4c1c-476e-925b-dea0fccfc450] Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van het verzoek van eiser om compensatie op grond van de ex-partnerregeling in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026 door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier.

griffier rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.