Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 23 juni 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5488Zaaknummer UTR 26/1107

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
13 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/1107
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Mondeling uitspraak, Wht, Uht. Afwijzing verzoek compensatie ex-toeslagpartnerregeling omdat eiser op de peildatum nog toeslagpartner was van de gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag en daarom geen recht heeft op de ex-toeslagpartnerregeling. UIT BRP registratie blijkt dat eiser in de periode vanaf 1 februari 2007 tot en met 3 oktober 2022 eiser en zijn ex-partner op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven, samen met hun twee kinderen. Dienst Toeslagen mag uitgaan van de juistheid van de informatie uit de BRP. Hiermee is voldaan aan het begrip partner zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a van de Awir en was eiser volgens de wet op de peildatum toeslagpartner van de gedupeerde aanvrager. Eiser voldoet daarom niet aan de wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor de ex-toeslagpartnerregeling. De omstandigheid dat eiser op de peildatum feitelijk niet op het adres woonde waar hij stond ingeschreven, maakt dit niet anders. De wet biedt geen ruimte voor toepassing hardheidsclausule.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026 door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  2. Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht
  3. Inleiding
  4. Beslissing
  5. Beoordeling door de rechtbank
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1107

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

Eiser heeft zich op 21 januari 2025 bij Dienst Toeslagen gemeld voor de ex-toeslagpartnerregeling op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht). Dienst Toeslagen heeft per besluit van 11 augustus 2025 kenbaar gemaakt dat eiser geen recht heeft op de ex-toeslagpartnerregeling, omdat hij niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden.

Op 3 september 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met de beslissing op bezwaar van 12 december 2025 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser heeft zich op 21 januari 2025 bij Dienst Toeslagen gemeld voor de ex-toeslagpartnerregeling omdat hij vindt dat hij in aanmerking komt voor de compensatie die voortvloeit uit artikel 2.14h, eerste lid, van de Wht. Op grond van dit artikel kent Dienst Toeslagen op aanvraag een compensatie toe van € 10.000,- aan een ex-partner van een erkend gedupeerde. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser op de peildatum nog toeslagpartner was van de gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag en daarom geen recht heeft op de ex-toeslagpartnerregeling

3. De vraag die in deze zaak voorligt is of Dienst Toeslagen het verzoek van eiser om compensatie op goede gronden heeft afgewezen. Eiser stelt dat hij wel voldoet aan de voorwaarden van de ex-toeslagpartnerregeling omdat hij op de peildatum feitelijk niet meer samenwoonde met de gedupeerde aanvrager, maar tijdelijk bij een vriend inwoonde. Eiser wijst daarbij ook op de omstandigheid dat het geregistreerd partnerschap tussen hem en zijn ex-partner per ontbindingsbeschikking van 23 april 2021 is beëindigd. Volgens eiser was hij daarom op de peildatum niet aan te merken als toeslagpartner van de gedupeerde aanvrager.

4. Dienst Toeslagen voert aan dat de ex-partner van eiser het forfaitaire bedrag van € 30.000,- op de peildatum van 4 mei 2021 uitbetaald heeft gekregen. Op grond van het op de peildatum luidende artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Awir wordt onder partner mede verstaan: degene die op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: BRP) en uit wiens relatie een kind is geboren. Dienst Toeslagen handhaaft het standpunt dat eiser op de peildatum toeslagpartner was van de gedupeerde aanvrager, omdat uit gegevens uit de BRP blijkt dat eiser op de peildatum op hetzelfde adres stond ingeschreven, samen met hun twee gezamenlijke kinderen. Omdat eiser op de peildatum van het aan de gedupeerde aanvrager uitkeren van het compensatiebedrag van € 30.000,- toeslagpartner was, komt hij niet meer in aanmerking voor de ex-toeslagpartnerregeling, aldus Dienst Toeslagen.

5. De rechtbank volgt Dienst Toeslagen in dit standpunt. Zij neemt daarbij in aanmerking dat uit een door Dienst Toeslagen overgelegde schermprint van de gegevens uit de BRP blijkt dat in de periode vanaf 1 februari 2007 tot en met 3 oktober 2022 eiser en zijn ex-partner op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven, samen met hun twee kinderen. Dienst Toeslagen mag uitgaan van de juistheid van de informatie uit de BRP. Hiermee is voldaan aan het begrip partner zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a van de Awir en was eiser volgens de wet op de peildatum toeslagpartner van de gedupeerde aanvrager. Eiser voldoet daarom niet aan de wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor de ex-toeslagpartnerregeling. De omstandigheid dat eiser op de peildatum feitelijk niet op het adres woonde waar hij stond ingeschreven, maakt dit niet anders. Ondanks het verzoek van eiser om hiervan af te wijken, stelt de rechtbank vast dat de Wht hier geen ruimte voor biedt, omdat de hardheidsclausule uit artikel 9.1 van de Wht limitatief van aard is en niet van toepassing is op de compensatieregeling uit artikel 2.14h, eerste lid, van de Wht.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026 door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.