Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 12 augustus 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5475Zaaknummer UTR 26/6203

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/6203
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening inzake het besluit van het Uwv waarin is beslist dat over een bepaalde periode geen WW-uitkering wordt uitbetaald. Het verzoek is afgewezen, omdat niet is gebleken dat verzoeker in financiële nood verkeert.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/6203

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker,

en

De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder

(gemachtigde: R. van den Brink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beslissing van het Uwv waarin (onder meer) is besloten dat verzoeker over de periode 2 juni 2025 tot en met 30 november 2025 geen uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangt. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een zodanige financiële noodsituatie dreigt te verkeren dat sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit ook niet evident onrechtmatig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft bij het Uwv een WW-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 22 juni 2026 heeft het Uwv beslist dat verzoeker in aanmerking komt voor een WW-uitkering over de periode van 2 juni 2025 tot en met 1 januari 2026, maar dat hij over de periode van 2 juni 2025 tot en met 30 november 2025 geen WW-uitkering krijgt, omdat deze periode meer dan 26 weken ligt voor de dag waarop verzoeker de WW-uitkering heeft aangevraagd.

3. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 juli 2026 heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 juli 2026.

4. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat sprake zou zijn van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij geen enkele inkomsten ontvangt en daardoor niet meer kan voorzien in zijn basale levensonderhoud of zijn vaste lasten kan voldoen. Verzoeker wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening in afwachting van de beroepsprocedure een voorschot op een WW-uitkering over de betreffende periode krijgen.

5. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. De voorzieningenrechter beschikt over voldoende informatie om uitspraak te doen.[_5fac326b-04a3-401a-848b-00b2b02c81df] Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.

Vrijstelling van het griffierecht

7. Verzoeker heeft op 1 juli 2026 verzocht om vrijstelling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. Dit verzoek was naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter heeft verzoeker een brief toegestuurd waaruit blijkt wat de criteria zijn voor het aannemen van betalingsonmacht en een bijbehorend formulier. Verzoeker heeft vervolgens op 21 juli 2026 het griffierecht voldaan. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt afgewezen.

Het spoedeisend belang

8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. De voorzieningenrechter moet dus eerst beoordelen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.[_f7a63ae4-09f6-4fef-a802-6008f095ebb4] Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als later blijkt dat het Uwv onterecht geen WW-uitkering heeft uitbetaald, kan dat namelijk alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er in de tussentijd geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang aan.

9. Met de brief van 30 juni 2026 is aan verzoeker verzocht om de gestelde financiële noodsituatie met financiële stukken, zoals bankafschriften en aanmaningen van betalingsachterstanden, te onderbouwen. In reactie op deze brief heeft verzoeker een overzicht van zijn bankafschriften over de periode 30 mei 2026 tot en met 29 juni 2026, een overzicht van zijn totaalsaldo op zijn bankrekening, brieven van het Uwv van juni 2026 over de hoogte en beëindiging van zijn WW-uitkering, een energieovereenkomst, een voorschotbeschikking van de Belastingdienst met betrekking tot verzoekers zorg- en huurtoeslag, zijn huurovereenkomst, een factuur van Youfone van de maand mei, een overzicht met betrekking tot zijn motorrijtuigenbelasting, een factuur van Vitens van de maand juni, een overzicht van zijn telefoonabonnement en een overzicht van zijn verzekeringen bij Univé en VGZ overgelegd.

10. Hoewel de voorzieningenrechter het aannemelijk vindt dat verzoeker door het niet uitbetalen van de WW-uitkering over de betreffende periode in een fors nadeliger financiële positie terecht is gekomen, heeft verzoeker onvoldoende aangetoond dat hij in een zodanige financiële noodsituatie dreigt te verkeren dat hij niet (meer) in zijn eerste levensbehoeften kan voorzien. Uit de bankafschriften leidt de voorzieningenrechter af dat verzoeker in juni 2026 WW-uitkering heeft ontvangen en ruim € 2.000,- aan crypto uitbetaald heeft gekregen. Verder blijkt uit de overgelegde stukken niet dat er sprake is van betalingsherinneringen. De voorzieningenrechter is hiermee niet gebleken dat sprake is van betalingsachterstanden op basis waarvan acute dreiging bestaat van bijvoorbeeld huisuitzetting, afsluiting van de nutsvoorzieningen of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. De stelling van verzoeker dat hij zijn vaste lasten niet meer kan betalen en dat een noodsituatie dreigt, volgt de voorzieningenrechter daarom niet. Verzoeker heeft ook geen andere gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij in financiële nood verkeert en dat een onomkeerbare situatie dreigt. Bovendien heeft verzoeker de mogelijkheid om een bijstandsuitkering van de gemeente Utrecht te ontvangen om zo te voorkomen dat hij in een acute noodsituatie komt. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker hiervoor een aanvraag heeft ingediend bij de gemeente.

11. Op grond van het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel en belangenafweging

12. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van het Uwv evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door Uwv ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van het door Uwv ingenomen standpunt. Van een evident onrechtmatig besluit is geen sprake.

13. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang voor verzoeker en dat het besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.