Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 10 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5460Zaaknummer 25/5707
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Publicatiedatum
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/5707
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Almere
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beorep is ongegrond. Omdat in beroep een nieuwe functie is geduid, ziet de rechtbank aanleiding om dit gebrek met toepassing van 6:22 te passeren. Pkv en griffierecht toegewezen.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;
- gelast verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5707
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.C. Walker)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: M.E. van Mourik)
Inleiding
- Eiseres heeft gewerkt als [functie] voor gemiddeld 18,39 uur per week. Zij heeft zich op 22 november 2022 ziekgemeld. Eiseres heeft bij het Uwv een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) na afloop van de wachttijd van 104 weken die geldt voor een WIA-uitkering. Deze aanvraag is afgewezen, omdat eiseres per 19 november 2024 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
- Het Uwv heeft de aanvraag van eiseres beoordeeld. Een primaire arts[_2c996f61-4d4c-4460-ba4f-a1dd9d9acae4] heeft onderzoek verricht. Deze arts heeft beoordeeld wat de arbeidsbeperkingen van eiseres zijn en heeft deze beperkingen opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige drie voorbeeldfuncties geduid die eiseres, ondanks haar beperkingen, nog zou kunnen uitoefenen. Het gaat om de functies schadecorrespondent (SBC-code 516080), archiefmedewerker (SBC-code 553020) en productiemedewerker confectie, kleermaker (SBC-code 272042). De arbeidsdeskundige heeft berekend wat de verdiencapaciteit is en aan de hand daarvan vastgesteld dat eiseres 0% arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 16 december 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat eiseres per 19 november 2024 geen WIA-uitkering krijgt, omdat zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
3. Eiseres heeft daartegen bezwaar ingediend. Naar aanleiding van het bezwaar hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuw onderzoek gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er aanleiding bestaat om af te wijken van het oordeel van de primaire arts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een gewijzigde FML opgesteld met aanvullende beperkingen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat eiseres met de gewijzigde FML de eerder vastgestelde functie met de SBC-code 27042 (productiemedewerker confectie, kleermaken) niet kan uitoefenen. Hierop heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe functie aangeduid, namelijk SBC-code 315100 (Administratief ondersteunend medewerker). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft berekend dat eiseres met de nieuwe voorbeeldfuncties, 16,66% arbeidsongeschikt is.
4. Met het besluit van 28 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
5. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift.
6. Het Uwv heeft op 21 april 2026 gereageerd met aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het beroep van eiseres vastgesteld dat de functie schadeadviseur (SBC-code 516080) bij nader inzien niet geschikt is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarom een nieuwe functie geduid, te weten medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140). De mate van arbeidsongeschiktheid is hierbij gewijzigd naar 18,86%. Het arbeidsongeschiktheidspercentage blijft daarmee minder dan 35%, zodat dit geen gevolgen heeft voor de afwijzing van de WIA uitkering.
7. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiseres of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 november 2024 terecht heeft vastgesteld op minder dan 35%, namelijk 18,86%.
Beoordelingskader
9. Het Uwv mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten:
zijn op een zorgvuldige manier tot stand gekomen;
bevatten geen tegenstrijdigheden;
zijn voldoende begrijpelijk.
10. De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
De medische beoordeling
Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. In het rapport van de verzekeringsarts van 13 augustus 2025 wordt verwezen naar het huisartsenjournaal van 29 juli 2025 waarin is vermeld dat eiseres bij de neuroloog is geweest en hierbij een chronisch pijnsyndroom is vastgesteld met langdurige psychosociale problematiek en traumata. Niet blijkt dat de chronische spanningshoofdpijn bij de beoordeling van de verzekeringsarts is betrokken en eiseres betwist om die reden dan ook dat het onderzoek zorgvuldig is verricht. Verder is eiseres van mening dat onvoldoende is ingegaan op haar bezwaargronden.
11. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De primaire arts heeft eiseres gezien tijdens een spreekuur. Hier is eiseres zowel psychisch als lichamelijk onderzocht en heeft zij haar klachten kunnen toelichten. Zowel de primaire arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de aanwezige stukken van de behandelaars bestudeerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. Het rapport voldoet dus aan de drie voorwaarden. Dat betekent dat het Uwv het bestreden besluit mocht baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het Uwv hoeft daarbij niet expliciet op alle bezwaargronden in te gaan. Ook de stelling dat de chronische spanningshoofdpijn niet is betrokken bij de beoordeling van de verzekeringsarts, kan de rechtbank niet volgen. Immers, benoemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitdrukkelijk in zijn rapport dat het huisartsenjournaal van 29 juli 2025 is ingebracht, waarin wordt verwezen naar chronische spanningshoofdpijn. Hieruit blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoogte was van de chronische spanningshoofdpijn en deze ook heeft betrokken bij zijn beoordeling. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullend rapport van 20 april 2026 toegelicht dat hij rekening heeft gehouden met de chronische spanningshoofdpijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is daarbij niet verplicht om per item een specifieke toelichting te geven waarom eiseres al dan niet beperkt geacht moet worden.
Inhoudelijke medische beoordeling
13. Eiseres stelt dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar psychische en fysieke problematiek, waaronder de beperkingen als gevolg van haar fibromyalgie. Verder blijkt niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn heroverweging haar aanvullende gronden van bezwaar van 28 juli 2025 heeft betrokken over onder meer het in slaap vallen op kleding terwijl zij die wil gaan wassen. Volgens eiseres had er meer waarde gehecht moeten worden aan de gebeurtenissen en beperkingen die zij beschrijft. Tijdens de zitting heeft eiseres nog toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met haar spanningshoofdpijn en zij ook beperkt geacht moet worden voor het vasthouden en verdelen van aandacht.
14. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 augustus 2025 geconcludeerd dat er aanleiding is om de FML aan te passen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat eiseres fysiek en mentaal energetisch beperkt is. Eiseres voldoet echter ondanks haar klachten niet aan de criteria van geen duurzaam benutbare mogelijkheden (hierna: GDBM) zoals die in het schattingsbesluit zijn omschreven. Eiseres was derhalve per datum geding niet op medische gronden volledig arbeidsongeschikt te achten. Hiervan is volgens het schattingsbesluit alleen sprake wanneer cliënt is opgenomen in een ziekenhuis of een AWBZ erkende instelling, bedlegerig is, lichamelijk niet zelfredzaam is, cliënt sterk wisselende mogelijkheden heeft, of wanneer de cliënt binnen 3 maanden zijn - of haar (huidige) mogelijkheden zeer waarschijnlijk zal verliezen. Daarbij valt eiseres ook niet in een van de uitzonderingscategorieën van de standaard GDBM. Er is namelijk geen sprake van volledig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren (OPSF). Gezien de aard en ernst van de klachten, de onderzoeksbevindingen, en de beschikbare medische gegevens meewegend, acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML toch enige verdergaande beperkingen aan de orde op met name het mentale vlak. In het aanvullend rapport van 20 april 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader toegelicht dat met het aannemen van de fysieke beperkingen in de rubrieken 3, 4 en 5 in zeer ruime mate tegemoet is gekomen aan de fysieke beperkingen voortvloeiend uit fibromyalgie. Ten aanzien van de chronische spanningshoofdpijn heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat daar voldoende rekening mee is gehouden door het aannemen van beperkingen voor diverse (mentale) items in de rubrieken persoonlijk - en sociaal functioneren. De hoofdpijn is immers stress gerelateerd en een gevolg van langdurige psychosociale problematiek en traumata, zoals in het huisartsenjournaal is vermeld. Door het aannemen van de beperkingen in de rubrieken persoonlijk - en sociaal functioneren (en daarbij een urenbeperking) is in ruim voldoende mate tegemoet gekomen aan de beperkingen voortvloeiend uit de spanningshoofdpijn, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
14. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de belastbaarheid op de datum in geding zoals vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voor zover eiseres naar voren heeft gebracht dat meer beperkingen moeten worden aangenomen, omdat zij psychische klachten heeft, volgt de rechtbank dit betoog niet. De stelling dat eiseres op de wachtlijst staat bij een psycholoog, kan op zichzelf niet tot meer beperkingen leiden. Ook de stelling dat gelet op haar dagverhaal, (verdergaande) beperkingen aangenomen moeten worden voor haar spanningshoofdpijn, het vasthouden van aandacht en het verdelen van aandacht, volgt de rechtbank niet. Aan hoe eiseres zelf haar klachten en belastbaarheid ervaart, is bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid niet doorslaggevend. Het is juist de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen.
14. Tot slot is eiseres van mening dat gezien haar dagverhaal en intensieve vermoeidheid een verdergaande urenbeperking aangenomen moet worden. Eiseres is van mening dat de verzekeringsarts ook zou moeten motiveren waarom zij nog wel 20 uur zou kunnen werken en niet slechts 10 uur.
14. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat rekening houdend met de aangenomen beperkingen en ook de bevindingen bij het onderzoek van eiseres geen steekhoudende medische argumenten aanwezig zijn om op energetische -, preventieve -, en/of beschikbaarheidsgronden een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Met de reeds aangenomen urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week wordt in zeer ruime mate tegemoet gekomen aan de fysieke- en mentaal energetische beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat eiseres per datum in geding geen intensieve behandeling volgt, waardoor geen aanleiding bestaat om verdergaande urenbeperking aan te nemen wegens beperkte beschikbaarheid. De rechtbank kan deze motivering volgen. Eiseres heeft onvoldoende medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat een verdergaande urenbeperking noodzakelijk is.
De arbeidsdeskundige beoordeling
18. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat zij eigenlijk enkel solitaire functies dan wel functies zonder contact kan uitoefenen.
18. Dat eiseres alleen in staat zou zijn om solitaire functies te verrichten, wordt niet gevolgd. Er zijn geen overtuigende medische argumenten voor de stelling dat eiseres enkel in staat zou zijn om solitaire functies te vervullen.
20. In beroep is de functie schadeadviseur (SBC-code 516080) vervallen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de nieuwe functie van medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) geduid. Eiseres heeft op zitting toegelicht dat ook deze functie niet geschikt is. Voor deze functie moet eiseres contact onderhouden met collega’s. Eiseres voert aan dat zij een kort lontje heeft, waardoor contact met collega’s niet geschikt is. Ook zou het risico van bombrieven en poederbrieven extra spanning veroorzaken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 20 april 2026 toegelicht dat eiseres in de nieuwe functie minimaal hoeft te communiceren met anderen. Uit de functieomschrijving blijkt dat geen sprake is van een (sterk) interactieve samenwerking. Er is hooguit sprake van samenwerking met collega’s vanuit een eigen afgebakende deeltaak.
21. De rechtbank kan deze motivering volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat eiseres kan samenwerken met anderen, maar met een eigen van te voren afgebakende deeltaak. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de nieuw geselecteerde functie hieraan voldoet. Dat eiseres helemaal niet zou kunnen samenwerken is een beroepsgrond tegen de medische beoordeling. De rechtbank heeft eerder al geoordeeld dat zij het medisch oordeel van het Uwv kan volgen. Uitgaande van de juiste vaststelling van de beperkingen van eiseres in de FML, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties. Ook de stelling van eiseres dat poeder- of bombrieven kunnen binnenkomen op de sorteerkamer, leidt niet tot een ander oordeel. Dit is een theoretische mogelijkheid die geen direct verband houdt met de functiebelasting.
Conclusie en gevolgen
22. In de omstandigheid dat het Uwv in beroep een nieuwe functie heeft geduid, ziet de rechtbank geen aanleiding het besluit te vernietigen. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank wordt eiseres hierdoor niet benadeeld. Eiseres heeft in beroep voldoende gelegenheid gehad zich alsnog uit te laten over deze nadere motivering van het Uwv. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Wel ziet de rechtbank aanleiding het Uwv te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
23. Tevens zal de rechtbank het Uwv opdragen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;
- gelast verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.