Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 28 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5375Zaaknummer UTR 26/6558

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
31 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/6558
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening buiten zitting afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/6558

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. N.M. Buddingh-Ubink),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (het college), verweerder

(gemachtigde: M. Gorissen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende], uit [plaats] (vergunninghouder).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college met het besluit van 11 juni 2026 aan vergunninghouder heeft verleend voor het verbouwen en uitbreiden van een woongebouw naar zes appartementen op de locatie [adres] in [plaats].

1.1.

Verzoekers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning en hebben bezwaar gemaakt. Zij verzoeken de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

1.2.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.[_0de20fff-7d36-495b-a25c-249eb2ffcd27] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek als kennelijk ongegrond zal worden afgewezen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist.[_46c9db93-3f47-4fee-8332-e8da70c1f49e]

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de omgevingsvergunning is verleend voor een technische bouwactiviteit en voor een omgevingsplanactiviteit bouwen voor een bestaand pand. Vergunninghouder heeft bevestigd dat tot op heden nog geen werkzaamheden zijn uitgevoerd. De voorzieningenrechter overweegt dat indien vergunninghouder start met de werkzaamheden, dit op eigen risico en voor eigen rekening van vergunninghouder gebeurt. De aan hem verleende omgevingsvergunning is namelijk nog niet onherroepelijk geworden.

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van onomkeerbaarheid geen sprake. Als vergunninghouder start met de bouwwerkzaamheden, kunnen deze – indien de vergunning herroepen wordt – weer ongedaan gemaakt worden. Het pand kan namelijk worden teruggebracht in de staat waarin het zich bevindt voordat vergunninghouder een aanvang met de bouwwerkzaamheden neemt.

6. De conclusie is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevraagde voorziening. De door verzoekers gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van het college evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of de omgevingsvergunning in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is hier geen sprake.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.