Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 12 mei 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5358Zaaknummer UTR 25/4737
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 12 mei 2026
- Publicatiedatum
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/4737
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
ZW. Het Uwv heeft ex-werkneemster terecht in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering en de kosten hiervan op eiseres verhaald. Beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te tekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4737
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen
Stichting Axioncontinu Groep, uit Utrecht, eiseres
(gemachtigde: mr. A. van Lieshout),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. B.E. de Leng).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het Uwv waarin aan ex-werkneemster een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) is toegekend en het ziekengeld en de uitvoeringskosten op eiseres worden verhaald. Eiseres is het hier niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv ex-werkneemster terecht in aanmerking heeft gebracht voor een ZW-uitkering en deze kosten op eiseres heeft verhaald. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.
Eiseres is eigenrisicodrager (ERD) voor de ZW. Vanaf 1 februari 2020 werkte [ex-werkneemster] (hierna ex-werkneemster) bij eiseres als [functie] voor gemiddeld 28 uur per week. Op 1 juni 2023 heeft ex-werkneemster zich voor dit werk ziekgemeld.
Het dienstverband is op 31 januari 2024 beëindigd. Eiseres heeft ex-werkneemster ook beter gemeld, omdat ex-werkneemster niet op kwam dagen bij de bedrijfsarts en andere afspraken.
Ex-werkneemster is in aanmerking gekomen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en heeft bij het Uwv op 8 april 2024 aangegeven per 1 juni 2023 ziek te zijn. Het Uwv heeft daarop eiseres aangeschreven en met de brief van 24 juli 2024 gevraagd om de ziekmelding van ex-werkneemster over te nemen. Op 3 oktober 2023 heeft het Uwv eiseres nogmaals erop gewezen dat zij de ziekmelding van ex-werkneemster dient over te nemen.
Eiseres heeft met de brief van 15 oktober 2024 aangegeven geen gehoor te geven aan dit verzoek. Het Uwv heeft vervolgens met het besluit van 20 november 2024 (het primaire besluit I) de ziekmelding van ex-werkneemster in behandeling genomen en aan eiseres medegedeeld dat de ZW-uitkering en de uitvoeringskosten op eiseres worden verhaald. Met het afzonderlijke besluit van 20 november 2024 (het primaire besluit II) is aan ex-werkneemster een ZW-uitkering toegekend per 1 februari 2024. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
Met de beslissing op het bezwaar van eiseres van 25 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen het primaire besluit I en II ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 30 januari 2026 aanvullende stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 17 februari 2026. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
De overname van de ziekmelding door het Uwv
3. Eiseres voert aan dat er geen reden is om de ziekmelding van ex-werkneemster over te nemen, aangezien ex-werkneemster hersteld gemeld uit dienst is gegaan nadat zij niet is komen opdagen op het spreekuur met de bedrijfsarts. Verder is eiseres – de rechtbank begrijpt subsidiair – van mening dat ex-werkneemster zich niet aan de re-integratieverplichtingen heeft gehouden waardoor het Uwv een maatregel op de ZW-uitkering van ex-werkneemster had moeten opleggen.
De rechtbank overweegt dat eiseres als ERD op grond van artikel 63a, eerste lid, van de ZW de werkzaamheden dient te verrichten ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van de ZW met betrekking tot de personen die laatstelijk tot haar in dienstbetrekking stonden. Indien de ERD de werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 63a van de ZW naar het oordeel van het Uwv niet, niet voldoende of niet juist verricht, verricht het Uwv, op grond van artikel 63a, vijfde lid, van de ZW, die werkzaamheden. Het Uwv brengt de kosten daarvan, alsmede die kosten die voortvloeien uit het derde lid van artikel 63a van de ZW, in rekening bij de ERD.
Ex-werkneemster heeft bij het Uwv aangegeven dat zij ziek is per 1 juni 2023. Op die datum was zij in dienst van eiseres. Dit betekent dat eiseres de ziekmelding van
ex-werkneemster, nadat deze door het Uwv aan haar was doorgezonden, in behandeling had moeten nemen en de overige werkzaamheden, als bedoeld in artikel 63a, eerste lid, van de ZW met betrekking tot de ex-werkneemster had moeten verrichten. Dat sprake is van een ziekmelding met terugwerkende kracht doet hieraan niet af.
De rechtbank stelt vast dat eiseres gelet op de brief van 15 oktober 2024 geweigerd heeft de ziekmelding van ex-werkneemster in behandeling te nemen, ondanks de verzoeken van het Uwv daartoe. Gelet hierop heeft het Uwv zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres de aan haar op grond van artikel 63a, eerste lid, van de ZW opgedragen werkzaamheden niet heeft verricht en heeft het Uwv vervolgens terecht de behandeling van de ziekmelding overgenomen.
Dat ex-werkneemster haar re-integratieverplichtingen niet is nagekomen door onder meer niet te verschijnen op afspraken met de bedrijfsarts, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres had in plaats van uit eigen beweging ex-werkneemster hersteld te melden het Uwv moeten verzoeken om een beschikking te nemen. Eiseres had daarbij ook aan het Uwv kunnen voorleggen dat zij van mening is dat aan ex-werkneemster een maatregel moet worden opgelegd wegens het niet nakomen van re-integratieverplichtingen.
De toekenning van een ZW-uitkering
4. Volgens eiseres heeft het Uwv ten onrechte een ZW-uitkering toegekend, mede gelet op de bevindingen van de bedrijfsarts en het feit dat er geen inhoudelijke medische beoordeling door een verzekeringsarts heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres opgemerkt dat ex-werkneemster ook niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
Met het eerstelijnsverslag van 31 oktober 2024 heeft de verzekeringsarts van het Uwv vastgesteld dat ex-werkneemster per 1 juni 2023 door ziekte of gebrek ongeschikt was tot het verrichten van arbeid. Deze medische beoordeling was naar aanleiding van de aangeleverde informatie in de medische vragenlijst van ex-werkneemster. Dat ex-werkneemster nog niet op een fysiek spreekuur was gezien door een verzekeringsarts, komt voor rekening en risico van eiseres. Eiseres was als ERD namelijk gehouden een medische beoordeling te laten verrichten, dan wel het Uwv te verzoeken om een beschikking.
In de enkele stelling van eiseres zonder enige (medische) onderbouwing, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts te twijfelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het niet naleven van re-integratieverplichtingen niet kan worden gelijkgesteld met herstel voor werkzaamheden in de eigen functie. De bevindingen van de bedrijfsarts zijn daarom onvoldoende om te twijfelen aan de verzekeringsarts.
Dat ex-werkneemster niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, leidt ook niet tot een ander oordeel. Dit betreft namelijk een ander beoordelingskader en een ander beoordelingsmoment. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te tekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.