Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 22 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5339Zaaknummer 24/5025
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/5025
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep ingetrokken met pkv verzoek. Pkv toegekend.
De rechtbank:
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.401,- aan proceskosten aan verzoeker;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Deve, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5025
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], te [plaats], verzoeker,
(gemachtigde: mr. S. Maachi)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).
Inleiding
Verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1993, heeft op 9 maart 2011 een aanvraag gedaan voor een Wajong[_6cb55427-5e4d-44ff-ad49-98158e56a4a9]-uitkering. Na een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidsdeskundig onderzoek heeft het Uwv met het besluit van 18 mei 2011 een Wajong-uitkering aan verzoeker toegekend vanaf 14 juli 2011.
Met het besluit van 18 juli 2014 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van verzoeker beëindigd per 1 juli 2014, omdat verzoeker een jaar heeft gewerkt en het inkomen het hele jaar meer dan het minimumloon was.
Op 25 maart 2022 heeft verzoeker een melding verandering gezondheid ingediend en verzocht om herleving van de Wajong-uitkering. Met het besluit van 31 maart 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan verzoeker medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een herleving van zijn Wajong-uitkering per januari 2021, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet ligt binnen de vijf jaar na de datum waarop de uitkering is beëindigd. Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 2 maart 2023 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Het Uwv heeft vastgesteld dat de (toegenomen) klachten wel binnen de vijf jaar na de datum waarop de uitkering is beëindigd zijn ontstaan, maar dat het niet aannemelijk is dat de toegenomen klachten per 29 mei 2018 dezelfde ziekteoorzaak hadden als in 2011.
Verzoeker heeft hiertegen vervolgens beroep ingesteld. Het beroep is door de rechtbank behandeld op de zitting van 1 september 2023. De rechtbank heeft beslist dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de toegenomen klachten te wijten zijn aan een andere ziekteoorzaak dan die in 2011. De rechtbank heeft de zaak weer terugverwezen naar het Uwv.
Het Uwv heeft opnieuw een verzekeringsarts bezwaar en beroep naar de zaak laten kijken. Ook deze verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de toegenomen klachten te maken hebben met een andere ziekteoorzaak. Het Uwv heeft vervolgens een besluit van 17 juli 2024 (het bestreden besluit II) genomen.
Verzoeker heeft hiertegen vervolgens wederom beroep ingesteld. Het beroep is door de rechtbank behandeld op de zitting van 14 november 2024. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het Uwv.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en een onafhankelijke deskundige, zijnde een psychiater, benoemd.
De psychiater heeft in het rapport van 25 augustus 2025 zijn bevindingen gerapporteerd. De psychiater heeft geconcludeerd dat niet ondubbelzinnig vastgesteld kan worden dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het rapport gelezen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de toegenomen klachten te maken hebben met dezelfde ziekteoorzaak als voorheen waarbij verzoeker eerder in het kader van de Wajong volledig arbeidsongeschikt is geacht.
Bij brief van 5 december 2025 heeft het Uwv te kennen gegeven dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd en dat een gewijzigde beslissing op bezwaar (het bestreden besluit III) is genomen. Het bestreden besluit III houdt in dat het bezwaar tegen het primaire besluit alsnog gegrond wordt verklaard en aan verzoeker per 29 mei 2018 een Wajong-uitkering wordt toegekend.
Verzoeker heeft vervolgens zijn beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het Uwv heeft per brief van 1 april 2026 gereageerd.
Op 24 juni 2026 heeft de rechtbank partijen medegedeeld voldoende geïnformeerd te zijn en voornemens te zijn zonder nadere zitting uitspraak te doen, tenzij een van de partijen binnen twee weken aangeeft mondeling te willen worden gehoord. Partijen hebben niet op deze brief gereageerd. De rechtbank sluit het onderzoek en doet uitspraak zonder nadere zitting.[_7107b68d-fd0d-44fe-94ed-be2977b4f4aa]
Beoordeling door de rechtbank
2 De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3 Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.[_887f0fda-8e08-4352-8074-bdc0ef591c78]
Is het Uwv aan verzoeker tegemoetgekomen?
4 Zoals hiervoor overwogen, heeft het Uwv vastgesteld dat verzoeker recht heeft op een Wajong-uitkering. Het Uwv is dus tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. Verzoeker heeft vervolgens het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Welk bedrag aan proceskosten moet het Uwv aan verzoeker vergoeden?
5. Verzoeker voert naar aanleiding van zijn verzoek om proceskosten bij e-mail van 26 maart 2026 nog het volgende aan. Verzoeker verzoekt de rechtbank conform het Besluit proceskosten bestuursrecht een proceskostenvergoeding toe te kennen met een wegingsfactor 2 “zeer zwaar”, omdat het een zeer landurig, tijdrovend en complex dossier is gebleken. Zo is de zaak al eerder terugverwezen en heeft de gemachtigde van verzoeker meermaals moeten reageren op stukken en proceshandelingen moeten uitvoeren.
6. De rechtbank zal het verzoek om het Uwv in de proceskosten te veroordelen toewijzen.
7. Anders dan verzoeker heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om een hogere wegingsfactor dan gemiddeld aan de onderhavige zaak toe te kennen. De omstandigheid dat tussen partijen intensief is gecorrespondeerd en becommentarieerd en dat de afhandeling van de zaak lang heeft geduurd, maakt niet dat sprake is van een zaak van meer dan gemiddeld gewicht. Ook de omstandigheid dat de rechtbank in deze zaak aanleiding heeft gezien om een deskundige te benoemen, doet er niet aan af dat het hier een reguliere medische zaak betreft zonder bijzondere bijkomende aspecten. Voor zover verzoeker stelt dat zijn gemachtigde extra proceshandelingen heeft moeten verrichten, omdat de zaak eerder is terugverwezen, stelt de rechtbank vast dat in het kader van die beroepsprocedure verzoeker al een proceskostenvergoeding toegekend heeft gekregen.
8. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, bestaande uit de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.401,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek met een wegingsfactor 1). De rechtbank kent geen proceskostenvergoeding toe voor de zitting, nu de gemachtigde van verzoeker niet aanwezig was op de zitting van 14 november 2024.
9. De rechtbank wijst erop dat het Uwv op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.401,- aan proceskosten aan verzoeker;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Deve, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.