Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5199Zaaknummer UTR 25/3140
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 11 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/3140
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Omgevingswet. Weigering omgevingsvergunning voor het legaliseren van een in strijd met het bestemmingsplan gebouwde carport. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom de carport niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beroepen van eiser op het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel slagen niet.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Deve, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3140
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. J. Bakker),
en
het college van burgemeester en wethouders gemeente Gooise Meren (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. A.M. Kordelaar).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het legaliseren van een reeds gebouwde (dubbele) carport op het voorerf aan de [adres 1] in [plaats] (het perceel).
Het college heeft met het besluit van 8 oktober 2024 (het primaire besluit) de aanvraag afgewezen.
Eiser heeft tegen de afwijzing bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 april 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser samen met zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Het toetsingskader
2. De rechtbank stelt vast dat op het perceel het bestemmingsplan ’Centrum’ (het bestemmingsplan) van toepassing is, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan ‘Gemeente Gooise Meren’. Op het voorerf waar eiser de (dubbele) carport heeft geplaatst, geldt de bestemming ‘Tuin’. Binnen deze bestemming zijn gebouwen niet toegestaan en mogen alleen overige bouwwerken, geen gebouwen, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m.[_75f6e1d1-7c16-4cc4-9906-ec28fe73e006] Niet in geschil is dat de (dubbele) carport hiermee in strijd is.
3. De rechtbank stelt bij haar beoordeling vast dat het college alleen een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.[_205901b1-943e-4283-a8eb-60f372dd76d1] Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of de verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Gelijkheidsbeginsel
5. Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser betoogt dat op diverse adressen, onder meer aan de [straat], vergelijkbare bouwwerken op het voorerf aanwezig zijn die hoger zijn dan 2 meter. Hiertegen is niet handhavend opgetreden. Eiser heeft ter onderbouwing een 50-tal foto’s overgelegd van adressen met bouwwerken die volgens hem vergelijkbaar zijn. Ook verwijst eiser specifiek naar [adres 2] te [plaats].
6. Het college heeft toegelicht dat geen sprake is van een geval waarvoor een vergunning is verleend voor eenzelfde type bouwwerk, op een vergelijkbare locatie, in hetzelfde plangebied of in dezelfde wijk. In het kader van de behandeling van het bezwaar is archiefonderzoek gedaan naar genoemde adressen. Het college heeft vastgesteld dat op vijf door eiser genoemde adressen in het verleden daadwerkelijk een vergunning is verleend voor bouwwerken in het voorerfgebied. Vier van deze adressen bevinden zich echter in andere wijken, waar andere onderdelen (bestemmingsplannen) uit het omgevingsplan gelden, namelijk het bestemmingsplan ‘Spiegel-Prins Hendrikpark 2010’ en bestemmingsplan ‘Stedelijk Gebied Naarden’. Bovendien heeft het college op de zitting toegelicht dat drie vergunningen al in de jaren ’70 van de vorige eeuw zijn verleend. Twee vergunningen zijn op een later moment verleend, maar betreffen geen vergelijkbare bouwwerken. Een geval gaat om een carport die zich bevindt achter op het perceel, hetgeen de situatie onderscheidt van de onderhavige zaak. En een vergunning is verleend voor een bouwwerk op het voorerf binnen hetzelfde plangebied op de [adres 2], maar daarvoor geldt dat het om een ander type bouwwerk gaat, namelijk een fietsberging, met een andere uitstraling, maatvoering en ruimtelijk inpasbaarheid. Hierdoor kan ook dit geval niet worden beschouwd als een geval dat gelijk is.
7. De rechtbank stelt vast dat het college tijdens de bezwaar- en beroepsfase uitgebreid is ingegaan op de door eiser aangedragen gevallen. In het beroepschrift, noch tijdens de zitting heeft eiser andere feiten ingebracht. Het college heeft toereikend toegelicht dat binnen hetzelfde plangebied geen vergunning is verleend voor een vergelijkbare (dubbele) carport. Ten aanzien van [adres 2] heeft het college verder overtuigend toegelicht waarom dit niet om een gelijk geval gaat. Eiser heeft dat verder niet betwist. Er is daarom volgens de rechtbank geen sprake van een identieke situatie. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
8. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens eiser is bij hem, tijdens een telefoongesprek met de medewerker van de gemeente Bussum over een voorgenomen aanvraag voor een carshade, het vertrouwen gewekt dat hierop niet handhavend wordt opgetreden. Volgens eiser klonk dit ook overtuigend, nu in de directe omgeving meerdere woningen zijn met een soortgelijk bouwwerk, waartegen de gemeente niet heeft opgetreden. Eiser verwijst wederom naar dezelfde adressen.
9. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat er een concrete toezegging is gedaan, die kan worden toegerekend aan het bevoegde orgaan.
10. Naar het oordeel van de rechtbank kan een toezegging dat niet handhavend wordt opgetreden tegen zonder vergunning gebouwde carports, niet worden opgevat als een toezegging dat er een omgevingsvergunning zal worden verleend. Bovendien heeft eiser op zitting ook bevestigd dat hij de toezegging van de medewerker niet als een toezegging voor het verlenen van een vergunning heeft opgevat. De beroepsgrond slaagt niet.
Had het college de omgevingsvergunning moeten verlenen in afwijking van het omgevingsplan?
11. Eiser betoogt dat de aanvraag voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de omgevingsvergunning had moeten worden verleend. Omdat de gemeente al gelijksoortige bouwwerken heeft toegestaan, althans hiertegen niet handhavend heeft opgetreden, is de visuele impact minder groot en is de dubbele carport ruimtelijke inpasbaar.
11. Het college heeft toegelicht dat het ruimtelijk niet wenselijk is om in gebieden die overwegend bestemd zijn voor wonen, bouwwerken voor de voorgevelrooilijn te bouwen die hoger zijn dan 1 meter. Volgens het stedenbouwkundig advies doet dit afbreuk aan de ruimtelijke structuur van de omgeving. Voor de voorgevel van het hoofdgebouw dienen bouwwerken een bepaalde mate van ondergeschiktheid ten opzichte van het hoofdgebouw te hebben. Dit wordt gewaarborgd door onder andere een restrictie op het toegestane massa/volume van bouwwerken. De algemene ruimtelijke opzet voor gronden met een tuinbestemming is dat deze gronden een overgangszone aanduiden tussen het hoofdgebouw en het openbaar gebied, zodat een geleidelijke (groene) overgang van privé naar openbaar gebied kan worden gewaarborgd. Bovendien heeft het college op de zitting toegelicht dat het verlenen van de omgevingsvergunning een ongewenste precedentwerking zal hebben.
11. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende kenbaar en begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het bouwwerk in het voorerfgebied niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals eerder al toegelicht slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. De rechtbank kan ook de motivering van het college over ongewenste precedentwerking volgen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de omgevingsvergunning terecht is afgewezen. Ook krijgt eiser geen vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Deve, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.