Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Midden-Nederland, 14 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5156Zaaknummer C/16/612055 / FL RK 26-641
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Publicatiedatum
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/16/612055 / FL RK 26-641
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Almere
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek van de rechtbank in Roemenië op grond van de Europese Bewijsverkrijgingsverordening 2020/1783. Opdracht tot Raadsonderzoek. Vertraging melden via formulier J.
De rechtbank:
verzoekt de Raad onderzoek te doen en binnen uiterlijk 12 maanden na de datum van deze beschikking te rapporteren over de woon- en leefsituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder.
| Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. D. van Bloemendaal, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. L. de Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026. |
| Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Almere
zaaknummer: C/16/612055 / FL RK 26-641
Beschikking op het op 15 mei 2026 ingekomen en aan deze beschikking gehechte verzoek ex artikel 5 van de Europese Bewijsverkrijgingsverordening ((EU) [nummer] van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 van het verzoekend gerecht Judecătoria Buzău in Roemenië, in de zaak van:
in de zaak van:
[de moeder],
wonend in [woonplaats 1],
hierna te noemen: de moeder.
tegen
[de vader],
wonende [woonplaats 2], Roemenië,
hierna te noemen: de vader.
1 Het verloop en de inhoud van de procedure
Tussen de moeder en de vader is in Roemenië een procedure aanhangig over in ieder geval de hoofdverblijfplaats van hun zoon: [minderjarige], geboren op
[geboortedatum] 2014 in Roemenië. Op dit moment woont [minderjarige] bij zijn oma, de moeder van de moeder, in Roemenië en heeft hij wekelijks contact met de vader. De moeder wil graag dat [minderjarige] bij haar in Nederland komt wonen.
Op 15 mei 2026 heeft deze rechtbank op grond van de Europese Bewijsverkrijgingsverordening ((EU) [nummer] van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 van de rechtbank in Roemenïe een verzoek ontvangen om een psychosociaal onderzoek uit te voeren met betrekking tot de moeder. De rechtbank begrijpt dat als een verzoek om de Raad voor de Kinderbescherming opdracht te geven om onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder.
Op 30 juni 2026 is de moeder door de rechtbank gehoord over een eventueel door de rechtbank te gelasten onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. De moeder heeft aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben.
2 De beoordeling
Uit het verzoek blijkt dat er in Roemenië een procedure aanhangig is over in ieder geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige]. De door de rechtbank in Roemenië gevraagde informatie is nodig om in die procedure een beslissing te nemen die in het belang van [minderjarige] is. Nu de moeder geen bezwaar heeft tegen het verzoek, zal de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming opdracht te geven om een onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder.
In artikel 12 van de Europese Bewijsverkrijgingsverordening ((EU) [nummer] van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 is opgenomen dat het aangezochte gerecht het verzoek onverwijld en uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van het verzoek uitvoert. Door wachttijden bij de Raad voor de Kinderbescherming verwacht de rechtbank niet dat het onderzoek binnen 90 dagen uitgevoerd kan worden. Conform de werkafspraken met de Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming het onderzoek binnen uiterlijk 12 maanden uit te voeren. De rechtbank zal de rechtbank in Roemenië middels formulier J van de verordening op de hoogte stellen van deze vertraging.
3 De beslissing
De rechtbank:
verzoekt de Raad onderzoek te doen en binnen uiterlijk 12 maanden na de datum van deze beschikking te rapporteren over de woon- en leefsituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder.
| Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. D. van Bloemendaal, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. L. de Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026. |
| Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.