Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 7 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5132Zaaknummer C/16/611115 / FL RK 26-571

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
4 augustus 2026
Zaaknummer
C/16/611115 / FL RK 26-571
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Almere
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor hulpverlening en vakantie

De rechtbank:

4.1

verleent aan de moeder vervangende toestemming voor hulpverlening voor [minderjarige 1], waaronder een KOPP-training of een soortgelijk hulpverleningstraject;

4.2

verleent aan de moeder vervangende toestemming om met [minderjarige 1] in de periode van 17 juli 2026 tot en met 9 augustus 2026 op vakantie te gaan naar [vakantiebestemming] in [plaats 2], [land],

4.3

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. S. Beukers - Brouwer, (kinder)rechter in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 Waar de procedure over gaat
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Almere

zaaknummer: C/16/611115 / FL RK 26-571

Vervangende toestemming voor hulpverlening en vakantie

Beschikking van 7 juli 2026

in de zaak van:

[de moeder],

wonende in [plaats 1],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L.D.H. Lesmeister,

tegen

[de vader],

volgens de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) sinds 18 juni 2026 zonder bekend adres,

hierna te noemen: de vader.

1 De procedure

1.1

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder, binnengekomen op 4 mei 2026;
  • het bericht (met bijlage) van de moeder van 9 mei 2026.
1.2

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van

23 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder en haar advocaat;
  • [A.], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

De vader heeft wel een uitnodiging van de rechtbank gekregen, maar is niet gekomen.

1.3

De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige 1], de dochter van de ouders, gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar mening te geven.

2 Waar de procedure over gaat

2.1

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

2.2

Zij hebben samen twee kinderen:

  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats].

De kinderen wonen bij de moeder.

2.3

De vader heeft beide kinderen erkend.

2.4

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1]. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] nemen.

2.5

De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 2]. Dat betekent dat alleen de moeder de belangrijke beslissingen over [minderjarige 2] kan nemen.

2.6

De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om aan haar:

  • vervangende toestemming te verlenen voor hulpverlening van beide kinderen waaronder een zogenaamde Kopp-training door [naam] of een soortgelijke instelling;
  • vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] in de periode van

17 juli 2026 tot en met 9 augustus 2026 op vakantie te gaan naar [vakantiebestemming] in [plaats 2] ( [land] ).

2.7

De vader heeft geen verweer gevoerd.

3 De beoordeling

Intrekking verzoek vervangende toestemming hulpverlening voor [minderjarige 2]

3.1

De moeder heeft tijdens de zitting haar verzoek over de vervangende toestemming voor hulpverlening voor [minderjarige 2] ingetrokken. Reden hiervoor is dat zij alleen het gezag over [minderjarige 2] heeft en zij daarom geen toestemming van de rechtbank – ter vervanging van die van de vader – nodig heeft voor de aanmelding van [minderjarige 2] bij de hulpverlening. De rechtbank hoeft hierop daarom niet meer te beslissen.

Vervangende toestemming voor hulpverlening en de vakantie naar [land]

3.2

De rechtbank zal aan de moeder vervangende toestemming verlenen voor hulpverlening [minderjarige 1], waaronder een KOPP-training of een soortgelijk hulpverleningstraject, en om met haar op vakantie te gaan naar [land]. De rechtbank legt haar beslissing hierna uit.

3.3

De moeder heeft verteld dat de vader al enkele jaren leidt aan psychische problematiek (psychoses) en dat dit een grote impact heeft op de rest van het gezin. Hoewel het over het algemeen goed lijkt te gaan met de kinderen, merkt de moeder toch dat zij last hebben van de situatie. Zo heeft [minderjarige 1] nachtmerries. De moeder wil daarom hulpverlening voor de kinderen inschakelen, bijvoorbeeld in de vorm van een KOPP-training, zodat zij ervaringen kunnen delen en hun vader beter kunnen leren begrijpen. Daarnaast wil de moeder met de kinderen in de zomervakantie naar [land] toe.

3.4

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1], waardoor de moeder toestemming van de vader nodig heeft om [minderjarige 1] aan te melden voor een hulpverleningstraject en om met haar naar [land] op vakantie te gaan. De moeder heeft de vader hiervoor om toestemming gevraagd, maar hij heeft de toestemming niet gegeven. In de wet staat dat de rechter een beslissing kan nemen als er sprake is van een gezagsgeschil.[_e816bd25-5283-4181-ab80-baf495491206] Dat betekent dat als de vader geen toestemming geeft aan de moeder om [minderjarige 1] in te schrijven voor de hulpverlening en om met haar op vakantie te gaan, de rechtbank vervangende toestemming kan geven.

3.5

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat zij passende hulpverlening krijgt. [minderjarige 1], en ook [minderjarige 2], hebben veel meegemaakt. De psychische problematiek van de vader heeft grote impact op hun leven en daarom is de rechtbank het met de Raad eens dat het doorlopen van een hulpverleningstraject – zoals een KOPP-training of een soortgelijk hulpverleningstraject – in het belang van de kinderen is. Zoals tijdens de zitting is besproken is op dit moment nog onzeker welk hulpverleningstraject het meest geschikt is en waar dit kan plaatsvinden. Dit zal dan ook nog verder onderzocht moeten worden. Verder vindt de rechtbank het – net als de Raad – in het belang van [minderjarige 1] dat zij met haar moeder en [minderjarige 2] op vakantie naar [land] kan.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

3.6

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep is ingesteld.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1

verleent aan de moeder vervangende toestemming voor hulpverlening voor [minderjarige 1], waaronder een KOPP-training of een soortgelijk hulpverleningstraject;

4.2

verleent aan de moeder vervangende toestemming om met [minderjarige 1] in de periode van 17 juli 2026 tot en met 9 augustus 2026 op vakantie te gaan naar [vakantiebestemming] in [plaats 2], [land],

4.3

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. S. Beukers - Brouwer, (kinder)rechter in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.