Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 22 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5092Zaaknummer C/16/605705 / HA ZA 26-38

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
4 augustus 2026
Zaaknummer
C/16/605705 / HA ZA 26-38
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 17 Iw. Verzet tegen een dwangbevel. Vordering afgewezen, onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank

4.1

wijst de vorderingen van [eiser] af,

4.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken door mr. O.P. van Tricht op 22 juli 2026.

4197

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van het geschil
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/605705 / HA ZA 26-38

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

[eiser],

wonend in [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. L.J. de Rijke,

tegen

ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/KANTOOR ROTTERDAM,

gevestigd in Rotterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Ontvanger,

advocaat: mr. E.E. Schipper.

1 De procedure

1.1

De rechtbank beschikt over de volgende stukken:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 39

- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2

Op 29 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is [eiser] met mr. De Rijke verschenen en namens de Ontvanger zijn [A] ( [functie]) en mr. Schipper verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

1.3

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De kern van het geschil

2.1

Volgens de Ontvanger heeft [eiser] een belastingschuld. Daarvoor heeft hij op 16 mei 2018 een dwangbevel uitgevaardigd. [eiser] eist dat de invordering ervan stopt, onder meer door het buiten effect stellen van het dwangbevel. De eisen worden afgewezen. [eiser] heeft hiervoor onvoldoende argumenten aangevoerd.

3 De beoordeling

Wat is de eis?

3.1

[eiser] eist een verklaring voor recht dat hij een goed opposant is tegen de dwangbevelen van de Ontvanger en dat deze buiten effect worden gesteld. Hij wil ook dat de beslagen die op grond van de dwangbevelen zijn gelegd worden opgeheven en dat de Ontvanger zich onthoudt van invorderingsmaatregelen vanwege de belastingaanslagen waar dit geschil over gaat, steeds met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten.

3.2

[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat het gaat om het dwangbevel van 16 mei 2018. Verdere dwangbevelen zijn bij [eiser] niet bekend. De Ontvanger stelt ook dat hij geen andere dwangbevelen heeft opgelegd. Daarom wordt van uitsluitend dit dwangbevel uitgegaan. Wat betreft gelegde beslagen is niet volledig duidelijk waarop de vordering ziet. Volgens [eiser] lag er eerder een beslag op zijn auto maar is dat opgeheven. De Ontvanger stelt dat het beslag daar nog wel op rust en dat het gelegd is vanwege dezelfde openstaande schuld als waarop het dwangbevel ziet.

Het gaat niet over de juistheid van de belastingaanslagen

3.3

Artikel 17 van de Invorderingswet (Iw) geeft het toetsingskader in deze verzetprocedure. Het artikel geeft een beperking van de reden voor een verzetprocedure. Een verzet mag niet gegrond zijn op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Met andere woorden: in een verzetprocedure zoals deze, kan het niet gaan over de inhoud van een belastingaanslag; klopt die wel? Die vraag hoort thuis in een procedure bij de bestuursrechter. Die procedures zijn door [eiser] niet gevoerd. In deze beoordeling wordt daarom uitgegaan van de juistheid belastingaanslagen zoals ze aan [eiser] zijn opgelegd.

3.4

[eiser] voert aan dat de aan hem opgelegde belastingaanslagen over 2013 tot en met 2018 materieel niet verschuldigd zijn. Volgens [eiser] is ten onrechte uitgegaan van een te laag salaris waardoor hij eerdere voorlopig teruggaven moest terugbetalen. Hij stelt dat hij als ondernemer altijd inkomen heeft gehad. Deze stellingen vallen dus buiten het wettelijk toetsingskader in deze procedure en worden om die reden niet beoordeeld. Daarbij wordt nog opgemerkt dat deze stellingen verder ook niet zijn uitgewerkt of zijn onderbouwd met cijfers of bewijsstukken, zodat toetsing ervan ook om die reden niet kan plaatsvinden.

Onvoldoende onderbouwd dat openstaande schuld niet klopt

3.5

Het dwangbevel ziet op een belastingschuld inkomstenbelasting (IB) van de tweede voorlopige aanslag uit 2017. Volgens [eiser] heeft hij geen belastingschuld; hij heeft altijd alles voldaan waar hij toe gehouden was. De ontvanger maakt volgens hem niet duidelijk dat er nog een bedrag zou openstaan.

3.6

De Ontvanger heeft voor de periode van 2013 tot en met 2018 het verloop van de aanslagen, teruggaven en verrekeningen uiteengezet en toegelicht. Volgens de Ontvanger was het vanaf 2013 zo dat aan [eiser] eerst bij de voorlopige aanslag een te hoge teruggaaf IB werd verleend. Die teruggaaf had te maken met de hypotheekrenteaftrek en werd dus aan [eiser] betaald. Uit de stukken blijkt dat dit jaarlijks ging om bedragen tussen (afgerond) € 13.000,00 en € 21.000,00. Omdat bij die eerste voorlopige aanslagen steeds was uitgegaan van een te hoog inkomen, werd deze voorlopige teruggaaf met een tweede voorlopige teruggaaf en/of bij de definitieve aanslag gecorrigeerd. Daarbij valt op dat vanaf 2015 jaarlijks de (eerste) voorlopige teruggave voor het overgrote gedeelte ten onrechte bleek te zijn. In 2018 heeft de inspecteur van de Belastingdienst dit patroon onderkend en is de eerste voorlopige teruggave vrijwel direct met een tweede voorlopige aanslag volledig gecorrigeerd en daarna zijn de voorlopige teruggaven gestopt. Feitelijk zijn de maandelijkse termijnen waarin de voorlopige teruggave werd voldaan sinds oktober 2016 al niet meer aan [eiser] uitbetaald, omdat deze verrekend werden met eerdere nog openstaande bedragen die [eiser] nog moest terugbetalen, zo voert de Ontvanger aan.

3.7

Uit de toelichting van de Ontvanger blijkt dat [eiser] per saldo over de periode 2013 tot en met 2018 recht heeft op teruggave van gelden van de Belastingdienst. Maar er waren in die periode steeds grote bedragen uitbetaald (met de voorlopige teruggaaf) die dan een tijd later weer voor een groot deel terugbetaald moesten worden. Volgens de Ontvanger is dat dus nog niet volledig gebeurd en is daardoor een betalingsachterstand voor [eiser] ontstaan, waarop de invorderingsmaatregelen zien.

3.8

[eiser] stelt dat niet alle bedragen van de (eerste) voorlopige teruggave aan hem zijn uitbetaald. Hij heeft het dan over de jaren 2013, 2014 en 2015. [eiser] onderbouwt dit echter op geen enkele wijze. Het bevreemd de rechtbank dat [eiser] hierover ook nooit eerder geklaagd heeft, in de periode 2013 tot oktober 2016. Het is moeilijk voor te stellen dat het niet uitbetalen van een maandelijks bedrag van circa € 1.400,00 niet op zou vallen, gelet op de hoogte van het inkomen dat [eiser] had. Juist ook omdat hij stelt dat het stopzetten van de voorlopige teruggaaf (in 2018) hem in de financiële problemen heeft gebracht. De stelling dat de Ontvanger weliswaar heeft gerekend met een teruggaaf maar dat die niet aan [eiser] is betaald, wordt daarom verworpen.

3.9

De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Onvoldoende is onderbouwd dat er ten onrechte tot invordering wordt overgegaan.

[eiser] moet de proceskosten betalen

3.10

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ontvanger worden begroot op:

- griffierecht€714,00
- salaris advocaat€1.306,00(2 punten × € 653,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€2.209,00

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

wijst de vorderingen van [eiser] af,

4.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken door mr. O.P. van Tricht op 22 juli 2026.

4197

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.