Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Midden-Nederland, 3 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5058Zaaknummer C/16/611996 / FO RK 26-703 en C/16/614516 / FO RK 26-958
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/16/611996 / FO RK 26-703 en C/16/614516 / FO RK 26-958
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Intrekking voorlopige voogdij. Moeder is na reis terug in Nederland, gezag wordt weer uitgeoefend dus grondslag voorlopige voogdij ontbreekt. Samenhang met beslissing tot ondertoezichtstelling en afwijzing uithuisplaatsing.
5 De beslissing
De kinderrechter:
trekt in de voorlopige voogdij over [minderjarige 1 (voornaam)] met ingang van 3 juli 2026.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
WMAR
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/611996 / FO RK 26-703 en C/16/614516 / FO RK 26-958
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over voorlopige voogdij
in de zaak van C/16/611996 / FO RK 26-703:
[A],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. E. Weijsenfeld,
verzoekster,
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
de Raad voor de Kinderbescherming,
Midden-Nederland, Utrecht,
hierna te noemen de Raad,
in de zaak van C/16/614516 / FO RK 26-958:
de Raad voor de Kinderbescherming,
Midden-Nederland, Utrecht,
hierna te noemen de Raad,
verzoekster,
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[A],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. E. Weijsenfeld.
De kinderrechter merkt in beide zaken als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming,
gevestigd te Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen de GI.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In de zaak met zaaknummer C/16/611996 / FO RK 26-703:
- het verzoekschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026;
- de producties van de moeder, ontvangen op 26 juni 2026;
In de zaak met zaaknummer C/16/614516 / FO RK 26-958:
- het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. De behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met nummer C/16/613765 / JE RK 26-967 over een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Bij de zitting waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- mevrouw [B], namens de Raad;
- mevrouw [C], namens de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1 (voornaam)] naar zijn mening gevraagd. Omdat het niet lukte hem tijdig voorafgaand aan de zitting op te roepen, heeft [minderjarige 1 (voornaam)] enkele dagen na de zitting een gesprek met de kinderrechter gevoerd. De partijen hebben ermee ingestemd dat de kinderrechter daarna een beslissing over de zaak neemt, zonder hen eerst te informeren over de inhoud van het gesprek met [minderjarige 1 (voornaam)].
Er zal in een aparte beschikking worden beslist op de verzoeken over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
De kinderrechter heeft aan het eind van de mondelinge behandeling aan partijen meegedeeld dat zij de beslissing op 3 juli 2026 telefonisch van de griffie konden vernemen. Dit is de schriftelijke weergave van die beslissing.
2 De feiten
De moeder is de ouder van [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats], Suriname. De moeder heeft de Surinaamse nationaliteit.
De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1 (voornaam)].
[minderjarige 1 (voornaam)] verblijft sinds 17 april 2026 in een groep genaamd [organisatie 1].
[minderjarige 1 (voornaam)] is erkend door [D]. Deze man heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft geen contact met [minderjarige 1 (voornaam)] en de moeder. [minderjarige 1 (voornaam)] heeft als gevolg van de erkenning ook de Nederlandse nationaliteit.
De moeder is in 2023 met [minderjarige 1 (voornaam)] uit Suriname naar Europa gereisd. Zij was toen zwanger van [minderjarige 2 (voornaam)], het inmiddels drie jaar oude halfbroertje van [minderjarige 1 (voornaam)]. Na een jaar bij een oom van de moeder in België te hebben gewoond is het gezin in Nederland komen wonen. Eerst bij een tante van de moeder, tante [E (voornaam)], en een korte tijd op een noodbed van [organisatie 2]. Inmiddels woont de moeder met [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] in een beschermd-wonenvoorziening van [organisatie 2]. Volgens een onderzoek van [organisatie 3] uit oktober 2025 zou de moeder een lage intelligentie hebben. Twee andere kinderen van de moeder wonen nog in Suriname.
De moeder heeft in Nederland een verblijfsvergunning aangevraagd om bij haar Nederlandse zoon [minderjarige 1 (voornaam)] te mogen verblijven. Deze aanvraag is in 2024 afgewezen en het bezwaar van de moeder tegen deze afwijzing is in september 2025 ongegrond verklaard. Het beroep dat de moeder hiertegen heeft ingesteld bij de rechtbank is nog niet behandeld. Wel heeft de rechtbank een voorlopige voorziening getroffen en bepaald dat de moeder de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten.
De moeder is op 16 april 2026 samen met [minderjarige 2 (voornaam)] naar Suriname gereisd in verband met het overlijden van haar grootvader in Suriname. [minderjarige 1 (voornaam)] ging niet met haar mee en bleef in Nederland. De Raad heeft op 17 april 2026 aan de kinderrechter verzocht om [minderjarige 1 (voornaam)] met spoed onder voorlopige voogdij te plaatsen, omdat – kort gezegd - [minderjarige 1 (voornaam)] niet zou weten waar hij gedurende de afwezigheid van de moeder moest verblijven, en de moeder telefonisch niet bereikbaar was in Suriname, zodat er geen persoon met gezag was die beslissingen over [minderjarige 1 (voornaam)] kon nemen. Tante [E (voornaam)] zou ook niet bereikbaar zijn, of niet bereid zijn gedurende de gehele afwezigheid van de moeder voor [minderjarige 1 (voornaam)] te zorgen. De kinderrechter heeft dit verzoek op dezelfde dag toegewezen en [minderjarige 1 (voornaam)] onder voorlopige voogdij gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.
De kinderrechter wilde het verzoek van de Raad en de op 17 april 2026 gegeven beschikking van de kinderrechter op 23 april 2026 tijdens een zitting bespreken. Omdat tijdens die zitting bleek dat de moeder niet was verschenen, is deze zitting voortgezet op een andere datum, 6 mei 2026. Toen was de moeder wel aanwezig, met haar advocaat. De kinderrechter heeft de eerder genomen beslissing over de voorlopige voogdij daarna niet veranderd.
3 De verzoeken
In de zaak met zaaknummer C/16/611996 / FO RK 26-703:
De moeder verzoekt om intrekking van de maatregel van de voorlopige voogdij over [minderjarige 1 (voornaam)]. Zij stelt het volgende. De moeder is op 16 april 2026 naar Suriname vertrokken met [minderjarige 2 (voornaam)] om de begrafenis van haar grootvader bij te wonen in Suriname. Omdat [minderjarige 1 (voornaam)] niet mee wilde naar Suriname zou hij bij de tante van de moeder, tante [E (voornaam)], logeren zolang de moeder niet in Nederland was. Dit was ook zo afgesproken met de hulpverleners (van het wijkteam en [organisatie 2]) die bij het gezin betrokken zijn. Er is op die dag een misverstand ontstaan omdat [minderjarige 1 (voornaam)] op school kwam met een tas met kleding en niet duidelijk was wie hem zou ophalen. Toen tante [E (voornaam)] op school verscheen was er verwarring. [minderjarige 1 (voornaam)] is toen naar een ‘veilige plek’ gebracht en de Raad heeft verzocht om de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1 (voornaam)], welk verzoek is toegewezen. De moeder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof, waarvan de behandeling gepland staat op 6 juli 2026. De moeder is op 28 april 2026 teruggekeerd uit Suriname en heeft [minderjarige 1 (voornaam)] sindsdien nog maar enkele keren gezien. De GI heeft haar omgang met [minderjarige 1 (voornaam)] beperkt omdat de moeder geen hulp zou aanvaarden van [organisatie 2]. De moeder wil deze wel aanvaarden, maar wil dat er iemand bij de gesprekken met de hulpverlening aanwezig is om haar te helpen. Dit uit angst dat ze verkeerd wordt begrepen. Volgens de moeder berust alles op een misverstand en is alles volledig uit de hand gelopen. De moeder heeft Whatsapp-conversaties tussen het wijkteam en de moeder en tante [E (voornaam)] overgelegd, waaruit de gemaakte afspraken blijken over haar reis naar Suriname en het verblijf van [minderjarige 1 (voornaam)] bij tante [E (voornaam)].
In de zaak met zaaknummer C/16/614516 / FO RK 26-958:
Ook de Raad heeft verzocht om intrekking van de voorlopige voogdij over [minderjarige 1 (voornaam)]. Over het verzoek van Raad om [minderjarige 1 (voornaam)] aansluitend onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen, geeft de kinderrechter een aparte beschikking.
4 De beoordeling
De beslissing
De kinderrechter zal de voorlopige voogdij over [minderjarige 1 (voornaam)] intrekken. Hieronder legt zij uit waarom.
De toelichting
Nu de moeder weer in Nederland is, is zij weer in staat om het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] uit te oefenen. Hiermee is de grondslag voor de voorlopige voogdij vervallen. Alle betrokkenen zijn het hierover eens. De voorlopige voogdij moet daarom worden ingetrokken.
5 De beslissing
De kinderrechter:
trekt in de voorlopige voogdij over [minderjarige 1 (voornaam)] met ingang van 3 juli 2026.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
WMAR
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.