Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 28 mei 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:5047Zaaknummer UTR 26/2854

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
10 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/2854
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal, Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo + beroep kortsluiten. Urgentieaanvraag, vanwege schimmel- en luchtvochtigheidproblemen. Beroep gegrond, omdat er een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit. Het college dient daarom een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat het college het griffierecht van €200,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026 door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 26/2854 en 26/5584

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. Y. Seyran),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen,

(gemachtigde: M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser heeft urgentie aangevraagd vanwege een woonnoodsituatie. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is van een woonnoodsituatie. Eiser heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of de urgentie aanvraag terecht is afgewezen.

1.1.

Het college heeft de aanvraag met het besluit van 18 maart 2026 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 mei 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

1.4.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser.[_4b7d3618-352b-489b-999e-4cd5ce2f59d2]

1.5.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Eiser heeft urgentie aangevraagd vanwege schimmel-, vocht-, verwarmings- en ventilatieproblemen in zijn woning, die vrijwel meteen na intrek in 2021 zijn ontstaan. Deze problemen zijn ondanks de genomen maatregelen niet verholpen en zorgen voor luchtwegklachten, voornamelijk bij de minderjarige kinderen van eiser. Eiser mist een motivering van het college met betrekking tot de vraag of de problemen überhaupt wel opgelost kunnen worden. De problemen maken de woning ongeschikt voor eiser, zijn vrouw en inmiddels drie minderjarige kinderen. De belangen van de kinderen, de psychische klachten van eiser en het ontbreken van reële alternatieven kunnen niet los worden gezien van het hoofdprobleem.

3. Het college kan een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt indien deze noodsituatie: niet door betrokkene zelf is veroorzaakt of kon worden voorkomen, niet door betrokkene zelf kan worden opgelost en zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan 4 maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring.[_3ef513f9-41e1-4bd1-a033-582f6594e0fd]

4. Het college heeft het advies van adviesbureau [naam] ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Aan Bureau [naam] is gevraagd om te onderzoeken of er sprake is van een woonnoodsituatie. Het bureau geeft aan dat er geen sprake is van een acute woonnoodsituatie op basis van medische gronden. De gestelde frequente luchtweginfecties en luchtwegklachten bij het gezin zijn volgens hen onvoldoende objectiveerbaar op basis van de aangeleverde medische informatie. Daarnaast zijn er volgens het adviesbureau afdoende maatregelen mogelijk om de luchtvochtigheid in de woning te verminderen en om het binnenklimaat te verbeteren.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De woning vertoont sinds 2021 gebreken vanwege schimmel-, vocht-, verwarmings- en ventilatieproblemen, dat is aannemelijk geworden door de onderbouwing van eiser. Het is in algemene zin bekend dat dit kan leiden tot gezondheidsproblemen bij minderjarige kinderen. Volgens het deskundig advies zijn de medische problemen van de gezinsleden momenteel onvoldoende objectiveerbaar, maar het advies gaat niet in op de vraag of het medisch gezien verantwoord is om het gezin, met een jonge baby, nog 4 maanden in de woning in deze staat te laten wonen. De voorzieningenrechter overweegt dat dit wel had gemoeten.

6. Verder wordt door het adviesbureau geconcludeerd dat er voldoende maatregelen mogelijk zijn om de luchtvochtigheid in de woning te verminderen en om het binnenklimaat te verbeteren. Het is onduidelijk waar deze conclusie op gebaseerd. Ter zitting heeft het college niet kunnen toelichten of [naam] zelf over de (bouwkundige) expertise beschikt om deze conclusie te kunnen trekken. Daarnaast volgt uit het advies niet waar deze conclusie op is gebaseerd. Voorts is onduidelijk welke maatregelen dan getroffen kunnen worden, of dat duurzame oplossingen zijn en op welke termijn dat gerealiseerd zou kunnen worden. De eerder toegepaste maatregelen hebben volgens eiser namelijk onvoldoende geholpen en/of zijn niet duurzaam van aard, waardoor het van belang is om te beoordelen of er wel een passende en duurzame oplossing bestaat.

7. Gelet op het voorgaande kon het college in de besluitvorming niet volledig afgaan op het advies van [naam]. Er zal dan ook een nieuwe beslissing op bezwaar genomen moeten worden, waarbij de hiervoor genoemde punten nader onderzocht en/of gemotiveerd moeten worden. In de nieuwe beoordeling moet ook betrokken worden in hoeverre de verhuurder van eiser uberahaupt welwillend is om gebreken aan de woning te herstellen en is het aan eisers om aan het college alle relevante medische informatie ter beschikking te stellen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond, omdat er aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om het college met een tussenuitspraak in de gelegenheid te stellen om het gebrek te herstellen, omdat er in dit geval een volledige heroverweging van het bestreden besluit plaats moet vinden. Hierbij dient het college rekening te houden met hetgeen in rechtsoverweging 5, 6 en 7 is besproken. De voorzieningenrechter draagt het college daarom op om een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter geeft het college hiervoor zes weken.

9. In afwachting van die nieuw te nemen beslissing op bezwaar ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en de urgentieverklaring te verlenen. Daarbij wordt voorop gesteld dat niet valt uit te sluiten dat de gebreken dat het college alsnog een zorgvuldige en goed gemotiveerde beslissing neemt in het nieuw te nemen besluit op bezwaar. Verder is van belang dat het verlenen van een urgentieverklaring tot onomkeerbare gevolgen zal leiden. Bij deze stand van zaken legt het belang van eiser bij het treffen van een voorlopige voorziening onvoldoende gewicht in de schaal. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

10. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. De voorzieningenrechter ziet ook aanleiding om het college op te dragen het griffierecht dat eiser voor het verzoek om voorlopige voorziening heeft betaald aan eiser te vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat het college het griffierecht van €200,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026 door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.