Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 23 juni 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:4969Zaaknummer UTR 26/2081

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
4 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/2081
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WIA, beroep ingetrokken, verzoek pkv

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: C.J. Loef),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (gemachtigde: M. van Mourik).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij intrekking van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek om herbeoordeling van 29 oktober 2025.

Uit verweerschrift van het UWV van 19 maart 2026 blijkt dat er nog een andere beroepsprocedure aanhangig is met zaaknummer UTR 25/6491, waarbij per een eerdere datum een IVA-uitkering zal worden toegekend. Met de beslissing van 16 april 2026 is per 9 april 2025 een IVA-uitkering toegekend aan verzoekster. Hierdoor hoeft er geen primaire beslissing meer worden genomen op het herbeoordelingsverzoek van 29 oktober 2025. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken.

De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft hierop gereageerd op 19 mei 2026.

De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[_8b629198-4dde-41b1-bf86-19fa0be2bb61]

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?

2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.[_51a42b0f-b703-4027-974b-975de5c2e211]

Is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen?

3. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.

4. Op 10 maart 2026 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het uitblijven van het nemen van een beslissing op haar aanvraag om herbeoordeling door het UWV. Het UWV heeft met de beslissing van 16 april 2026 per 9 april 2025 een IVA-uitkering toegekend aan verzoekster. Hierdoor hoeft er geen primaire beslissing meer worden genomen op het herbeoordelingsverzoek van 29 oktober 2025. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.

Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoekster vergoeden?

5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het UWV moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?

6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot het UWV moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.