Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 26 februari 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:4845Zaaknummer UTR 25/6057

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6057
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

BNT UHT CWS bezwaar

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op uiterlijk 15 december 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
  2. Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
  3. Inleiding
  4. Overwegingen
  5. Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/6057

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Tahitu),

en

Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 20 maart 2025 tegen de beslissing van verweerder van 27 december 2024 over aanvullende compensatie.

Verweerder heeft op 30 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.[_730955dc-5d56-4018-9728-3935397e8dde]

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.[_a4948be2-f0ce-4ff7-811e-896a808b3e01] Het

beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.[_b969f6ae-8de0-4621-81dc-45b1a398043f]

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van

15 augustus 2025, ontvangen door verweerde op 22 augustus 2025, is verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 21 oktober 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.

4. Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen

5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank

dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.[_3c13910e-d5f8-4e8e-8487-b1b678490afe] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.[_8e5c4e0b-30fb-4f47-bb42-f0f581e9e9d7]

6. In haar uitspraak van 25 juli 2025[_d7642a0b-4be7-4f65-b5d8-c63632b4ec1e] heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals

deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 72 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, bepaalt de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep. Voor de motivering van deze termijnen verwijst de rechtbank naar die uitspraak.

7. In dit geval betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 27 december 2024 de

beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding genomen. Het bezwaarschrift van eiseres tegen dit besluit is door verweerder ontvangen op 25 maart 2025. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 26 maart 2025 en verliep op

29 juli 2025. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is dus 15 december 2026.

8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor

elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijnen niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025[_a3673853-20fe-4ac8-bc6b-c23b54cd8f9a] over beroepen niet tijdig beslissen op bezwaar in Wht-zaken.

Proceskosten en griffierecht

9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten

die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het

door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op uiterlijk 15 december 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.