Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 13 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:4753Zaaknummer UTR 26/2887

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
6 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/2887
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak. Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen eiseres en de man waarmee zij op hetzelfde adres woont kon aanmerken als toeslagpartners. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
  2. Dienst Toeslagen, kantoor [plaats] , Dienst Toeslagen
  3. Inleiding
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2887

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

Dienst Toeslagen, kantoor [plaats] , Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigden] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor herziening van haar recht op kindgebonden budget over de jaren 2023 en 2024.

2. Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 13 februari 2026 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 april 2026 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [A] (de zoon van eisers) en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

6. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt de vraag of Dienst Toeslagen het herzieningsverzoek mocht afwijzen, omdat eiseres en meneer [B] kunnen worden aangemerkt als toeslagpartners. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

9. Tussen partijen staat ter discussie of Dienst Toeslagen meneer [B] terecht heeft aangemerkt als de toeslagpartner van eiseres en daarom zijn inkomen heeft betrokken bij de berekening van haar recht op kindgebonden budget. Eiseres vindt dat meneer [B] niet als haar toeslagpartner kan worden aangemerkt, omdat zij weliswaar op hetzelfde adres wonen, maar geen relatie hebben, geen gemeenschappelijke huishouding voeren en geen financiën delen. Zij wonen alleen samen omdat eiseres en haar zoon woonruimte nodig hadden.

10. De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen meneer [B] terecht als de toeslagpartner van eiseres heeft aangemerkt. Volgens de wet is onder andere sprake van toeslagpartnerschap als twee meerderjarige personen op hetzelfde woonadres zijn ingeschreven en op dit adres ook een minderjarig kind van een van hen staat ingeschreven.[_ef419d11-4bba-4f7e-b46e-bf31102a6e2d] Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als de belanghebbende met een schriftelijke huurovereenkomst laat blijken dat een van hen op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander of dat zij beiden op zakelijke gronden een eigen gedeelte van de woning huren van een derde. Het is daarom niet van belang of eiseres en meneer [B] een relatie hebben, een gezamenlijke huishouding voeren of hun financiën delen.

11. Vaststaat dat eiseres en haar minderjarige zoon staan ingeschreven op hetzelfde adres als meneer [B] en dat geen sprake is van een schriftelijke huurovereenkomst waaruit blijkt dat een van hen op zakelijke gronden de woning huurt van de ander of van een derde. Dienst Toeslagen heeft daarom gelet op de wet eiseres en meneer [B] terecht aangemerkt als toeslagpartners.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

13. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.