Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 22 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:4667Zaaknummer UTR 25/5271

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
6 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 25/5271
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almere
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Urgentie. Het college heeft de voor de beoordeling van de relevante feiten en omstandigheden onvoldoende onderzocht en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij in geval van eiseres redelijkerwijs van de discretionaire bevoegdheid tot het intrekken van de urgentieverklaring gebruik heeft kunnen maken.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.868,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/5271

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Meinen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere

(gemachtigde: mr. J.S.H. Biervliet en K. Bahora).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de aan eiseres verleende urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de intrekking van die verklaring. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in het geval van eiseres in redelijkheid tot de intrekking van de urgentieverklaring heeft kunnen besluiten. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 7 april 2025 de aan eiseres verleende urgentieverklaring ingetrokken. Met het bestreden besluit van 8 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de intrekking van de verklaring gebleven.

2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiseres heeft samen met Humanitas op 21 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van voorrang bij de toewijzing van woonruimte op grond van artikel 11, tweede lid, onder d, van de toen geldende Huisvestingsverordening Almere 2019 (uitstroom maatschappelijke instelling).[_9496c9f2-5f48-4895-ac0f-63533f425123] Het college heeft eiseres op 9 oktober 2023 op deze grond een urgentieverklaring met directe bemiddeling verstrekt voor de duur van 6 maanden. Deze verstrekking houdt in dat eiseres een eenmalig aanbod ontvangt van een woning passend bij haar zoekprofiel. Hierna heeft het college de verleende urgentieverklaring twee keer verlengd. Eiseres is geen woning aangeboden en zij is na afloop van de indicatie voor zorg bij Humanitas in juli 2024 dakloos geworden. Zij kampte daarnaast met financiële problemen, was verslaafd en had schulden. Vanaf 18 november 2024 is eiseres opgevangen bij Kwintes.

4. Met het besluit van 7 april 2025 heeft het college de urgentieverklaring ingetrokken, omdat zij vanuit Kwintes bericht heeft ontvangen dat eiseres niet klaar is om uit te stromen. Hierdoor is eiseres volgens het college niet langer aan te merken als urgent en is de urgentieverlening ingetrokken op grond van artikel 15, tweede lid, onder a, van de Huisvestingsverordening Almere 2024 (de Huisvestingsverordening).[_821c7dd5-c3c6-4962-92c9-8fb8e52d0ab1] Na bezwaar van eiseres is het college bij de intrekking gebleven.

Heeft het college zich op basis van voldoende zorgvuldig onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet langer als urgent woningzoekende is aan te merken?

5. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het college de intrekking heeft gebaseerd op één niet gemotiveerde e-mail van Kwintes van 26 maart 2025 en een niet gedocumenteerde telefonische toelichting van Kwintes. Het college heeft ook geen onderzoek gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden en is niet ingegaan op de professionele beoordeling van het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) en de begeleider van Humanitas. Ook stelt eiseres dat het ontbreken van een plan van aanpak op het moment van intrekking van de urgentieverklaring aantoont dat Kwintes de zelfstandige wooncapaciteit van eiseres niet heeft kunnen beoordelen op basis van gestructureerde doelen en evaluaties, maar uitsluitend op basis van observaties in de eerste vier maanden zonder formele zorgstructuur.

6. De rechtbank stelt met eiseres vast dat de intrekking in het primaire besluit is gebaseerd op één enkel niet onderbouwd e-mailbericht van Kwintes en dat dit bericht op zich niet voldoende is om een intrekking te rechtvaardigen. Van de door het college gestelde mondelinge toelichting is immers geen verslag in het dossier aanwezig. Maar het college heeft Kwintes naar aanleiding van het bezwaar van eiseres gevraagd om een nadere toelichting op de intrekking. Kwintes heeft bij e-mailbericht van 1 juli 2025 een nadere toelichting gegeven. Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 11 juli 2025. Kwintes heeft vervolgens gereageerd bij e-mailbericht van 29 juli 2025 en eiseres en bij e-mailbericht van 8 augustus 2025. Ook heeft er op 2 juli 2025 een hoorzitting plaatsgevonden. Het college heeft in de bezwaarfase dus een volledige heroverweging gemaakt en die neergelegd in het bestreden besluit dat ter toetsing aan de rechtbank voor ligt. In zoverre is in het bezwaar het motiveringsgebrek van het primaire besluit hersteld.

6.1.

De rechtbank oordeelt verder dat het college zijn bestreden besluit mocht baseren op de inhoud van de nadere toelichting van Kwintes. Een urgentie op grond van artikel 11, derde lid, onder e, van de Huisvestingsverordening wordt verleend als de instelling waar iemand verblijft, vindt dat de woningzoekende toe is aan zelfstandig wonen. In dit geval is het dus Kwintes die die beoordeling moet maken. Kwintes heeft toegelicht hoe zij in de eerste vier maanden van de opvang van eiseres tot de conclusie is gekomen dat zij het niet verantwoord vond dat eiseres op dat moment uitstroomde naar een zelfstandige woonruimte. Dat de beoordeling van Kwintes zoals uiteengezet in de e-mailberichten niet is gebaseerd op een plan van aanpak met gestructureerde doelen en evaluaties, maakt op zichzelf niet dat de toelichting van Kwintes zoals uiteengezet in de e-mailberichten onvoldoende is.

6.2.

Eiseres stelt hier tegenover dat zij het niet eens is met de door Kwintes genoemde observaties over onder andere alcoholgebruik, schuldenproblematiek en mannelijk bezoek en heeft deze betwist of in een andere of meer genuanceerde context geplaatst. Maar de weerlegging door eiseres is niet onderbouwd. Bovendien maken die weerleggingen op zichzelf niet dat eiseres in weerwil van de beoordeling van Kwintes ten tijde van de intrekking wel degelijk in staat was om zelfstandig te wonen en uit te kunnen stromen.

6.3.

Verder overweegt de rechtbank dat het college de informatie uit 2023 van het CCE en van de toenmalige begeleider van Humanitas niet bij zijn oordeel hoefde te betrekken. De situatie van eiseres in april 2025 was immers gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de aanvraag in augustus 2023. Eiseres was nadien dakloos geworden en er was onder meer sprake van middelengebruik en schulden. Deze aspecten waren aanleiding voor Kwintes om te concluderen dat eiseres niet klaar was om uit te stromen.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet langer als urgent woningzoekende als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Huisvestingsverordening is aan te merken, zodat in zoverre aan de voorwaarde voor intrekking op grond van artikel 15 van de Huisvestingsverordening is voldaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft het college in redelijkheid tot de intrekking kunnen besluiten?

7. Eiseres stelt dat de intrekking voor haar onevenredige nadelige gevolgen heeft die niet in verhouding staan tot het daarmee gediende doel. Eiseres wijst er op dat de eerder verleende urgentieverklaring was bedoeld om dakloosheid te voorkomen. Maar als direct gevolg van het uitblijven van een woonaanbod gedurende haar urgentie, een periode van bijna twee jaar, heeft zij ernstige dakloosheid doorgemaakt. Volgens eiseres heeft het college miskend dat er ook nu sprake is van dreigende dakloosheid, omdat de beoogde uitstroomtermijn bij Kwintes in november 2026 is. Volgens eiseres heeft Kwintes haar laten weten dat er vanaf dat moment ook geen plek meer voor haar is bij Kwintes. Wanneer eiseres Kwintes moet verlaten, zonder dat er een woning voor haar beschikbaar is, komt zij opnieuw op straat terecht en kan zij weer opnieuw beginnen. Zij wijst daarbij op een verklaring van haar huisarts waarin haar ernstige angst- en stemmingsklachten met suïcidale gedachtes zijn beschreven. Daaruit kan worden afgeleid dat dakloosheid te alle tijden moet worden voorkomen. Ook verwijst eiseres naar een brief van haar psycholoog van 8 mei 2026. Daaruit volgt dat de psychische problematiek van eiseres in relatie staat tot haar woonsituatie. Het verlies van de urgentieverklaring treft eiseres dan ook buitenproportioneel hard en plaatst haar juist opnieuw in een situatie van dreigende dakloosheid. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2025.

8. De rechtbank stelt voorop dat de intrekking van de urgentieverklaring op grond van artikel 15 van de Huisvestingsverordening een discretionaire bevoegdheid is. Het is dan ook aan het college om te beoordelen of het gebruik maken van deze bevoegdheid, gelet op alle betrokken belangen, in dit geval niet onevenredig is.

8.1.

De rechtbank is van oordeel dat het college in dit verband onvoldoende rekenschap heeft gegeven van alle feiten en omstandigheden die door eiseres zijn aangevoerd en legt dat hierna uit.

8.2.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij vreest in november 2026 weer dakloos te worden als haar niet (tijdig) een urgentieverklaring wordt verleend op basis waarvan zij op zoek kan gaan naar zelfstandige woonruimte, omdat Kwintes haar heeft meegedeeld dat de opvang in november 2026 eindigt. Zij heeft een geluidsfragment hiervan naar het college gestuurd. Het college heeft op zitting meegedeeld de geluidsopname niet aan het dossier te hebben toegevoegd en ook niet te hebben beluisterd. Deze stelling van eiseres heeft het college dus niet betrokken bij het oordeel over de hardheidsclausule. Het college stelt het geluidsfragment niet beluisterd te hebben, omdat was meegedeeld dat het audiobestand niet met Kwintes gedeeld mocht worden en omdat ze niet kunnen horen wie er op het geluidsfragment aan het woord is. De rechtbank kan het college in deze werkwijze niet volgen. Het college heeft een eigen onderzoeksplicht en had minimaal kennis moeten nemen van de inhoud van het geluidsbestand, omdat eiseres dit heeft ingebracht als bewijs van haar stelling dat zij in november 2026 op straat komt te staan. Het college had dan vervolgens, indien daar aanleiding toe bestond, nadere vragen daarover aan zowel eiseres als Kwintes kunnen stellen. Van belang hierbij is dat uit het dossier niet eenduidig blijkt dat – indien nodig – de begeleiding van eiseres bij Kwintes na november 2026 wordt gecontinueerd. Kwintes stelt weliswaar dat november 2026 een beoogde uitstroomtermijn is en niet een termijn van uitzetting, maar nergens wordt expliciet gesteld dat eiseres in november 2026 dan wel na afloop van de indicatie nog steeds zal beschikken over adequate opvang. De vrees van eiseres dat zij op straat komt te staan is daarom bij deze stand van zaken niet onrealistisch.

8.3.

Daarbij vindt de rechtbank van belang dat het eiseres eerder is overkomen dat zij ondanks begeleiding en een urgentieverklaring toch op straat is komen te staan. Zij was gedurende 9 maanden in het bezit van een urgentieverklaring, maar toen de opvang bij Humanitas eindigde belandde eiseres op straat, met alle gevolgen van dien. Over deze gevolgen heeft eiseres in beroep gewezen op een brief van haar huisarts en van haar behandelend psycholoog. Uit de brief van de huisarts blijkt van angst- en stemmingsklachten en suïcidale gedachten in de periode dat eiseres op straat leefde. De brief van de behandelend psycholoog maakt melding van de belaste voorgeschiedenis van eiseres en dat het ontbreken van een stabiele en voorspelbare werkplek haar belemmert in het behandelproces. Hoewel deze informatie eerst in beroep is overgelegd en het college deze in zoverre niet bij het bestreden besluit heeft kunnen betrekken, was de voorgeschiedenis van eiseres en de impact die dit op eiseres heeft gehad wel bij het college bekend.

8.4.

Gegeven de hiervoor geschetste omstandigheden van eiseres, waaronder haar voorgeschiedenis van dakloosheid en de impact die dat op eiseres heeft gehad, de onduidelijkheid over de vraag of haar opvang in november 2026 bij Kwintes zal worden beëindigd en de daarmee gepaard gaande en niet onrealistische vrees van eiseres dat zij opnieuw op straat komt te staan, komt de rechtbank tot de conclusie dat het college de voor de beoordeling van de relevante feiten en omstandigheden onvoldoende heeft onderzocht en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in geval van eiseres redelijkerwijs van de discretionaire bevoegdheid tot het intrekken van de urgentieverklaring gebruik heeft kunnen maken.

9. Gelet op dit oordeel komt de rechtbank aan de bespreking van de overige beroepsgronden niet toe.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

11. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kenbare kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.868,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.