Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4620Zaaknummer UTR 26/3039
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Publicatiedatum
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/3039
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Wet open overheid (Woo) - beroep tegen het besluit op bezwaar van eiseres - verklaart het beroep niet-ontvankelijk en verwijst het beroep, voor zover gericht tegen het besluit, door naar het college om als bezwaar te behandelen.
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 4 mei 2026, door naar het college om als bezwaar te behandelen;
- bepaalt dat het college het griffierecht ter hoogte van € 200,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/3039
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.
(hierna: het college)
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat het college niet op tijd heeft beslist op haar verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Eiseres heeft het college op 13 april 2026 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op haar verzoek en op 28 april 2026 beroep ingesteld.
Op 4 mei 2026 heeft het college alsnog een besluit genomen op het verzoek van eiseres.
Eiseres heeft op 8 mei 2026 laten weten dat zij het niet eens is met dit besluit en in bezwaar zal gaan.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar Woo-verzoek. Inmiddels heeft het college een besluit op dat verzoek genomen. Het college heeft dus gedaan wat eiseres wilde. Omdat eiseres het onderhavige beroep niet heeft ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over dat beroep.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Eiseres wilde met haar beroep bereiken dat het college zou beslissen op haar aanvraag en dat is gebeurd. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij het beroep, voor zover dat gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit van 4 mei 2026.
4. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 4 mei 2026.
5. Eiseres heeft ook laten weten dat zij het niet eens is met de inhoud van dit besluit en daarom bezwaar heeft gemaakt bij het college.
6. De rechtbank zal het beroep echter niet zelf behandelen, maar met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb doorsturen aan het college om in bezwaar te behandelen. De rechtbank ziet aanleiding om dit door te sturen omdat een heroverweging van het besluit, gelet op onder andere het punt van eiseres waarbij het college heeft beslist op basis van de afwezigheid aan documentatie in de zin van de Woo, naar verwachting bijdraagt aan een nader gemotiveerd besluit op het Woo-verzoek van eiseres. De rechtbank acht het daarom wenselijk dat het college eerst overgaat tot een bestuurlijke heroverweging. Dit betekent dat de rechtbank geen uitspaak doet op het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit.
Proceskosten en griffierecht
7. De rechtbank ziet aanleiding om het college op te dragen het griffierecht ter hoogte van € 200,- aan eiseres te vergoeden. Op het moment dat eiseres het beroep niet tijdig indiende, was het college in gebreke met tijdig beslissen op het Woo-verzoek van eiseres. Eiseres heeft het beroep dan ook terecht ingesteld. Het college moet daarom het griffierecht aan eiseres vergoeden.
8. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 4 mei 2026, door naar het college om als bezwaar te behandelen;
- bepaalt dat het college het griffierecht ter hoogte van € 200,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.