Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4579Zaaknummer UTR 25/6178
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Publicatiedatum
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/6178
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep niet tijdig beslissen - het niet tijdig beslissen op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) - niet-ontvankelijk.
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep tegen het besluit van 15 december 2025 naar de minister ter behandeling als bezwaar;
- bepaalt dat de minister het griffierecht ter hoogte van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/6178
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], te [plaats], eiser,
en
Het Ministerie van Financiën, verweerder.
(hierna: de minister)
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat de minister niet op tijd heeft beslist zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Eiser heeft de minister op 10 oktober 2025 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek en op 27 oktober 2025 beroep ingesteld.
Op 15 december 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op het verzoek van eiser.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn Woo-verzoek. Inmiddels heeft de minister een besluit op dat verzoek genomen. De minister heeft dus gedaan wat eiser wilde. Omdat eiser het onderhavige beroep niet heeft ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over dat beroep.
3. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat de minister zou beslissen op zijn aanvraag en dat is gebeurd. Eiser heeft daarom geen belang meer bij het beroep, voor zover dat gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het niet-tijdig nemen van een besluit door de minister. Het beroep tegen het niet-tijdig nemen beslissen op zijn verzoek zal daarom kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Op 15 december 2025 en 19 januari 2026 heeft de rechtbank aan eiser schriftelijk de vraag voorgelegd of hij al dan niet eens is met de beslissing van de minister. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat als er niet binnen de gestelde termijn gereageerd wordt, de rechtbank ervan uit gaat dat eiser het niet eens is met het besluit. In dat geval wordt het beroep verder behandeld op grond van het eerder ingediende beroepsschrift.
5. Eiser heeft tot het heden niet op deze brieven gereageerd, waardoor de rechtbank ervan uit gaat dat eiser het niet eens is met het besluit van 15 december 2025.
6. Nu eiser geen inhoudelijke standpunten ten aanzien van het Woo-verzoek heeft ingediend, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit te verwijzen ter behandeling als bezwaar.[_4960c0a7-8f4a-4579-b1ab-cc0f74ff2c5d]
7. Dit betekent dat de rechtbank het beroepsschrift ingevolge artikel 6:15 van de Awb als bezwaarschrift zal doorzenden aan het bestuursorgaan onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu dit beroepsschrift reeds in bezit is van de minister zal de rechtbank hem dit niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
8. Omdat eiser het beroep niet ten onrechte heeft ingesteld moet de minister het griffierecht ter hoogte van € 194,- aan eiser vergoeden.
9. Voor proceskostenveroordeling bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep tegen het besluit van 15 december 2025 naar de minister ter behandeling als bezwaar;
- bepaalt dat de minister het griffierecht ter hoogte van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.