Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 14 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4578Zaaknummer UTR 25/1823
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Publicatiedatum
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/1823
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Almere
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Hoogte dagloon. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over de vraag of door de werkgever gedane betalingen aan eiser moeten worden betrokken bij de hoogte van het dagloon. De rechtbank oordeelt dat de betalingen bestaan uit de uitkering van een spaarbedrag uit de levensloop regeling waar geen verlof tegenover stond. De uitkering uit een levensloopregeling kan niet betrokken worden bij de totstandkoming van het SV-loon.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1823
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. J.B.M. Swart),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [ex-werkgever] uit [plaats 2] (ex-werkgever) (gemachtigde: mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten).
Inleiding
1. Eiser werkte sinds 2008 bij [ex-werkgever] (hierna: ex-werkgever). Na een periode van arbeidsongeschiktheid wordt met het besluit van 25 maart 2024 door het Uwv aan eiser met ingang van 5 januari 2024 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Het Uwv gaat bij die toekenning uit van een jaarinkomen van € 98.096,88 en een maandloon van € 9.945,19. Omdat dit bedrag hoger ligt dan het maximum WIA-maandloon wordt het bedrag gemaximeerd tot € 5.969,07.
2. De ex-werkgever van eiser heeft het Uwv er op gewezen dat de hoogte van het WIA-maandloon onjuist is vastgesteld. Volgens de ex-werkgever is dit te hoog vastgesteld omdat ten onrechte een uitgekeerd bedrag uit de levensloopregeling bij de vaststelling van het dagloon is betrokken. Met het besluit van 19 september 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv het WIA-maandloon bijgesteld naar € 5.283,08, gebaseerd op een jaarinkomen voor de WIA van € 52.110,27. Eiser is het hier niet mee eens omdat het verlagen van zijn WIA-maandloon tot gevolg heeft dat hij een lagere uitkering van het Uwv ontvangt. Eiser heeft daarom tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
3. Met de beslissing op bezwaar van 23 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Procesverloop bij de rechtbank
4. De rechtbank heeft partijen op 6 mei 2025 uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter zitting op 11 augustus 2025. Eiser heeft verzocht om uitstel van de behandeling omdat hij verhinderd was. Dit verzoek om uitstel is toegekend. Vervolgens zijn partijen uitgenodigd voor de behandeling ter zitting op 24 september 2025.
5. Het Uwv heeft op 18 september 2025 verzocht om de geplande behandeling van de zaak op 24 september 2025 uit te stellen in verband met de ontvangst van een aanvullend beroep van eiser kort voor de geplande zittingsdatum. De rechtbank heeft dit verzoek om uitstel afgewezen.
6. Het beroep is vervolgens behandeld op de zitting van 24 september 2025. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ex-werkgever is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. I.M. Graafland. Het Uwv is zonder nader bericht van verhindering niet verschenen.
7. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank de zaak aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om hun wederzijdse standpunten te verduidelijken. De met partijen gemaakte afspraken zijn in een verkort proces-verbaal vastgelegd.
8. Op 30 september 2025 heeft de ex-werkgever een afschrift verstrekt van een aantal brieven die in de periode van 2020 tot en met 2024 aan eiser zijn verstuurd. Vervolgens heeft eiser op 14 oktober 2025 zijn standpunt, zoals ingenomen ter zitting, nader toegelicht. Hierna zijn het Uwv en de ex-werkgever met de brief van 28 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken te reageren op de nadere toelichting van eiser.
9. De ex-werkgever heeft met de brief van 11 november 2025 gereageerd. Het Uwv heeft – na een verzoek om uitstel – op 15 december 2025 gereageerd op het nadere standpunt van eiser.
10. Op 9 maart 2026 heeft de rechtbank partijen gevraagd om toestemming voor het sluiten van het onderzoek zonder nadere zitting. Met de brief van 6 april 2026 heeft eiser een nadere inhoudelijke reactie ingediend en toestemming gegeven voor het sluiten van het onderzoek zonder nadere zitting, onder het voorbehoud dat zijn nadere toelichting van 6 april 2026 aan het dossier wordt toegevoegd. Vervolgens heeft de ex-werkgever hier op 22 april 2026 inhoudelijk op gereageerd. Het Uwv heeft op 28 april 2026 een nadere toelichting gegeven.
11. De rechtbank heeft vervolgens op 8 mei 2026 nogmaals aan partijen gevraagd om toestemming voor het sluiten van het onderzoek zonder nadere zitting. Hierop heeft de rechtbank van partijen geen reactie meer ontvangen. Vervolgens is het onderzoek op 1 juni 2026 gesloten.
Omvang van het geschil
12. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of het Uwv het WIA-maandloon van eiser op goede gronden heeft verlaagd naar € 5.283,08. De rechtbank stelt daarbij vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat voor het vaststellen van het WIA-maandloon moet worden gekeken naar de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. Dit is de zogenoemde referteperiode.
13. In 2020 heeft de ex-werkgever aan eiser een bedrag ineens van € 31.974,77 bruto overgemaakt. In september 2021 heeft de ex-werkgever aan eiser een bedrag van € 39.570,74 bruto overgemaakt als ‘extra werkgeversbijdrage levensloop’. Tussen partijen is in geschil of deze uitgekeerde extra werkgeversbijdrage levensloop bij de vaststelling van het WIA-maandloon moet worden betrokken.
Toetsingskader
14. In artikel 14, onder c, van het Dagloonbesluit, geldend op 1 januari 2020, is bepaald dat onder loon wordt verstaan het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), met dien verstande dat onder loon niet wordt begrepen een uitkering die een werknemer heeft genoten op grond van de aanspraak bedoeld in artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964, zonder dat sprake is van onbetaald extra verlof. De hiervoor bedoelde uitkering op grond van artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 betreft een uitkering uit een levensloopregeling.
Beoordeling door de rechtbank
15. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de door de ex-werkgever in 2020 en 2021 uitgekeerde bedragen nabetalingen zijn in de vorm van achterstallige inleg in de levensloopregeling vanaf 1 januari 2009. Volgens eiser heeft hij over deze bedragen loonheffing betaald en daarom moeten deze bedragen bij zijn dagloon worden betrokken. De in 2020 en 2021 uitgekeerde bedragen hadden volgens eiser door de werkgever eigenlijk maandelijks in de periode van 2009 tot en met december 2021 (over 156 maanden) bij zijn salaris moeten worden uitgekeerd. Dit zou gaan om een maandelijkse verhoging van € 458,63 bruto (= € 31.974,77 (uitgekeerd in 2020) + € 39.570,74 (uitgekeerd in 2021) / 156 maanden). Het jaarinkomen voor de WIA van eiser zou daarmee in het refertejaar 2021 neerkomen op een bedrag van € 60.046,38.
16. Eiser wijst er verder op dat de loonstroken uit het refertejaar inzichtelijk maken dat de werkgever in de periode van januari tot en met mei 2021 maandelijks nog een bedrag van € 306,21 aan ‘werkgeversbijdrage niet-loga’ aan zijn salaris heeft toegevoegd. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat dit bedrag ten onrechte niet door de werkgever is uitbetaald over de periode van juni tot en met december 2021. Daarmee ontstaat volgens eiser ten onrechte een lager SV-loon. Als de werkgeversbijdrage van € 306,21 over het gehele refertejaar zou zijn uitbetaald dan zou zijn jaarinkomen voor de WIA neerkomen op een bedrag van € 54.539,22.
17. Volgens het Uwv is het WIA-maandloon in het bestreden besluit op de juiste wijze vastgesteld. Het Uwv heeft voor zijn motivering verwezen naar zijn besluitvorming en zich voor het overige aangesloten bij de toelichting van de ex-werkgever. De ex-werkgever stelt – kort samengevat – dat het in het refertejaar uitgekeerde bedrag niet moet worden betrokken bij de vaststelling van het SV-loon. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de ex-werkgever gewezen op het toetsingskader en het handboek ‘Wetsuitleg, WIA, WAO/WAZ/oWajong en ZW’ van het Uwv (hierna: het handboek). Volgens de ex-werkgever is de uitbetaling van het bedrag van € 39.570,74 in het refertejaar ontstaan als gevolg van de overgang van de bestaande levensloopregeling naar een nieuwe regeling, de zogenaamde Netto FLO-Spaartegoed (NFST)-regeling. De ex-werkgever heeft ook gewezen op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2025[_5ec038f9-d236-4c8f-9b11-3be8b7cc31f2] waarin volgens de ex-werkgever sprake was van een vergelijkbaar geschil.
18. De rechtbank volgt het primaire standpunt van eiser niet en overweegt daarover het volgende.
19. De levensloopregeling, die bestond vanaf 2006, gaf werknemers de mogelijkheid om een deel van het loon te sparen. Daarbij konden werkgevers aan werknemers een werkgeversbijdrage levensloop betalen. Het door de werknemer gespaarde loon, inclusief de eventuele werkgeversbijdrage, werden onder de levensloopregeling niet gezien als belastbaar inkomen om sparen te stimuleren. Tot 1 januari 2013 werd het gespaarde loon ook gezien als SV-loon. Vanaf 1 januari 2013 is de levensloopregeling echter beëindigd. Vanaf dat moment werd op het gespaarde loon, inclusief de werkgeversbijdrage, wel inkomensbelasting geheven. Bovendien telde het gespaarde bedrag vanaf dat moment ook niet meer mee voor de totstandkoming van het SV-loon. De fiscale voordelen van de levensloopregeling verdwenen daarmee dus vanaf 1 januari 2013. De rechtbank verwijst hiervoor mede naar het handboek van het Uwv.[_fa8f8f98-679f-4edd-9b4c-2baff0285d68]
20. De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 39.570,74, dat in september 2021 door de ex-werkgever aan eiser werd uitgekeerd, bestaat uit de uitkering van een spaarbedrag uit de levensloopregeling waar geen verlof tegenover stond. Gelet op het bepaalde in het handboek van het Uwv kan de uitkering uit een levensloopregeling, zonder dat daar verlof tegenover staat, vanaf 2013 niet betrokken worden bij de totstandkoming van het SV-loon. Ook niet wanneer de werkgeversbijdrage maandelijks – in plaats van als bedrag ineens – aan eiser zou zijn uitgekeerd. De primaire beroepsgrond slaagt niet.
21. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn subsidiaire standpunt dat het SV-loon in de periode van juni tot en met december 2021 maandelijks verhoogd moet worden met een bedrag van € 306,21, zoals dat in de maanden januari tot en met mei van 2021 ook is gebeurd. De rechtbank overweegt dat de bijdrage van € 306,21 in de periode van januari tot en met mei 2021 een werkgeversbijdrage levensloop is. Zoals volgt uit het toetsingskader en het bepaalde in overweging 19. van deze uitspraak moet een werkgeversbijdrage levensloop niet bij de vaststelling van het SV-loon worden betrokken. Of eiser nu een loga-pad volger of loga-pad verlater is maakt daarbij geen verschil. In tegenstelling tot het standpunt van eiser is daarmee de werkgeversbijdrage van € 306,21 in de periode van januari tot en met mei 2021 ten onrechte bij het SV-loon betrokken. De rechtbank ziet daarin echter geen aanleiding om het SV-loon in het nadeel van eiser opnieuw te laten vaststellen. De subsidiaire beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Conclusie
22. Uit deze uitspraak volgt dat het Uwv bij de vaststelling van het WIA-maandloon op goede gronden de extra werkgeversbijdrage levensloop niet heeft meegenomen. Anders dan eiser aanvoert, is het WIA-maandloon in het bestreden besluit dus niet te laag vastgesteld.
23. Het beroep van eiser is dan ook ongegrond. Eiser krijgt zijn griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 16 Wfsv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 39d LB
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.