Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Midden-Nederland, 19 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4474Zaaknummer C/16/613110 / JE RK 26-878
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 19 juni 2026
- Publicatiedatum
- 31 juli 2026
- Zaaknummer
- C/16/613110 / JE RK 26-878
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
toewijzen verzoek vervolg machtiging uithuisplaatsing na spoedbeslissing voor duur van vots
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 26 juni 2026 tot 12 september 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Hoogeveen-van de Vrede als griffier, en op schrift gesteld op 3 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/613110 / JE RK 26-878
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een vervolg machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Midden-Nederland, Utrecht,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. G.R. Dorhout-Tielken,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen: de GI.
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 juni 2026;
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- mevrouw [A] namens de Raad;
- de moeder met haar advocaat;
- mevrouw [B] namens de GI.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft sinds 12 juni 2026 in een pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 juni 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 september 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 juni 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 26 juni 2026 en de beslissing op het resterende deel van het verzoek aangehouden.
3 Het verzoek
De kinderrechter moet nog beslissen over het resterende deel van het verzoek van de Raad tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van drie maanden, dus tot 12 september 2026.
4 Het standpunt
De moeder is het niet eens met de spoedmachtiging en het aansluitende verzoek. Zij wil daarom dat het resterende deel van het verzoek van de Raad wordt afgewezen.
5 De beoordeling
De beslissing
De kinderrechter heeft de belanghebbenden gehoord over de spoedbeslissing over de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedbeslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing, beide genomen op 12 juni 2026, en ziet naar aanleiding daarvan geen reden om een andere beslissing te nemen. Verder zal de kinderrechter het aangehouden deel van het verzoek van de Raad tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van drie maanden, dus tot 12 september 2026, toewijzen. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
De uithuisplaatsing
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW moet vaststaan dat de machtiging tot uithuisplaatsing van het kind noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind. De kinderrechter is van oordeel dat daar sprake van is.
In het verzoek van de Raad is te lezen dat Babythuiszorg geen zorgen heeft over de dagelijkse verzorging van [minderjarige] door de moeder. Ook zegt Babythuiszorg dat de moeder de signalen van [minderjarige] voldoende passend herkend en daar voldoende passend op reageert. Anders dan de moeder heeft aangevoerd, betekent dat niet dat [minderjarige] bij de moeder kan verblijven. Op de dag van de uithuisplaatsing zijn namelijk wel grote zorgen geconstateerd. De moeder werd niet wakker terwijl er aangebeld werd, er mensen door het huis liepen en vooral terwijl [minderjarige] hard lag te huilen. Op dat moment kon de moeder dus niet adequaat reageren op de signalen van [minderjarige]. Op de zitting heeft de moeder, net als bij de jeugdbeschermer, aangegeven dat ze één keer oxycodon heeft gebruikt. De kinderrechter vindt het knap van de moeder dat zij dit open heeft besproken. Uit het urineonderzoek is echter gebleken dat dat gebruik niet ten tijde van de uithuisplaatsing was. Er is dus een zorg over het middelengebruik, maar de kinderrechter is het met de GI eens dat de uitkomst van dit onderzoek ook een andere zorg oplevert: zonder gebruik van middelen was de moeder dus zo diep in slaap dat zij [minderjarige] en de mensen in huis niet heeft gehoord en niet kon reageren. Dit lijkt een patroon te zijn in die zin dat in het verzoek ook is te lezen dat Veilig Thuis meldt dat de moeder tijdens gesprekken in slaap valt en slecht wakker wordt.
[minderjarige] is drie maanden oud en daarmee volledig afhankelijk van de volwassenen die voor hem zorgen. Op dit moment is het daarom noodzakelijk voor zijn verzorging en opvoeding dat hij tijdens de periode van de voorlopige ondertoezichtstelling bij het pleeggezin blijft dat hem nu verzorgt. De zorgen over de moeder, zoals hierboven opgenomen, zijn te groot om [minderjarige] nu naar huis te laten gaan. Daar komt bij dat Babythuiszorg – die een forse indicatie had om bij de moeder te helpen – nu niet meer beschikbaar is. Op dit moment zou een thuisplaatsing bij de moeder betekenen dat de moeder zelfstandig, met enkel begeleiding van Kwintes, voor [minderjarige] moet zorgen en dat is niet voldoende om goede zorg en veiligheid voor [minderjarige] te waarborgen.
Wel is de kinderrechter met de jeugdbeschermer van mening is dat zo spoedig mogelijk duidelijk moet worden of en hoe [minderjarige] weer bij zijn moeder kan wonen. Dat kan zijn door het in forse mate inzetten van andere thuiszorg of wellicht een plaatsing in een moeder-kindhuis. Hierbij is van belang dat de komende periode meer omgang dan eenmaal per week plaatsvindt om de hechting tussen de moeder en [minderjarige] wel mogelijk te houden. De kinderrechter begrijpt dat de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling voor de moeder lang lijkt, maar de kinderrechter kan de GI volgen in het standpunt dat nu een goede manier gevonden moet worden waarop [minderjarige] thuis kan blijven wonen, met andere woorden dat een permanente oplossing gevonden wordt. Bovendien heeft de GI op de zitting gezegd dat als er eerder tot thuisplaatsing overgegaan kan worden zij dat zal doen. De kinderrechter gaat daar ook van uit.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 26 juni 2026 tot 12 september 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Hoogeveen-van de Vrede als griffier, en op schrift gesteld op 3 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.