Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 18 juni 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:4458Zaaknummer 611022+611026

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
10 augustus 2026
Zaaknummer
611022+611026
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

opheffen ondertoezichtstelling vader werkt niet mee, doelen kunnen daardoor niet bereikt worden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op met ingang van 18 juni 2026;

6.2.

wijzigt de bij beschikking van 13 juni 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat er geen vaste contactregeling is tussen [minderjarige] en de vader;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 7 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De verzoeken
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummers: C/16/611022 / JE RK 26-648

C/16/611026 / JE RK 26-649

Datum uitspraak: 18 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling en een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F. Pool,

[de vader],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: de vader.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de verzoekschriften met bijlagen, ontvangen op 1 mei 2026;
  • het bericht met bijlage van de GI van 21 mei 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;
  • mevrouw [A.] namens de GI;
  • de heer [B.] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

De vader is wel juist opgeroepen, maar hij is niet naar de zitting gekomen.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 16 juni 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij de moeder.

2.3.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 26 juni 2024 [minderjarige] onder toezicht

gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 26 juni 2025. Bij beschikking van

13 juni 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 26 juni 2026.

2.4.

De ouders zijn op 27 juli 2022 samen een ouderschapsplan overeengekomen

waarin zij afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. Hierbij hebben zij afgesproken dat [minderjarige] een keer in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijft en dat de vakanties en feestdagen tussen de ouders bij helfte worden verdeeld. De kinderrechter heeft bij beschikking van

13 juni 2025 de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals is opgenomen in het ouderschapsplan gewijzigd, in die zin dat de GI de regie heeft over de aard, locatie, duur en frequentie van de contactregeling tussen [minderjarige] en de vader.

3 De verzoeken

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Daarnaast verzoekt de GI de door de kinderrechter op 13 juni 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in de zin dat er geen vaste contactregeling is tussen [minderjarige] en de vader, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De moeder is het eens met beide verzoeken.

4.2.

Het standpunt van de vader is niet bekend.

5 De beoordeling

De opheffing van de ondertoezichtstelling

5.1.

De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] opheffen op met ingang van 18 juni 2026. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

5.2.

Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat de gronden voor de ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn.[_efaec719-b840-4bac-b1f9-57c815dae5af] Op school en bij de kindertherapeut wordt gezien dat het goed gaat met [minderjarige]. [minderjarige] ervaart meer rust, wat onder andere heeft gezorgd voor een stijgende lijn in zijn schoolresultaten en ook op sociaal gebied gaat het goed. De moeder heeft in het kader van de ondertoezichtstelling heel hard gewerkt en [minderjarige] de ruimte gegeven voor contact met zijn vader. Ook zijn er geen zorgen over de opvoedsituatie van de moeder. Bovendien weet de moeder de weg naar de vrijwillige hulpverlening te vinden, voor het geval dat de vader toch ineens weer op de lijn komt. Voor haar deel is de ondertoezichtstelling daarom niet meer nodig. Alle doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling nu nog gewerkt kan worden gaan over de vader. De vader is echter op geen enkele wijze in contact met de GI, zodat werken aan die doelen en het behalen daarvan niet mogelijk is. De ondertoezichtstelling heeft daarvoor dan ook geen nut meer.

De wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

5.3.

De kinderrechter zal de bij beschikking van 13 juni 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen, in die zin dat er geen vaste contactregeling is tussen [minderjarige] en de vader. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

5.4.

De kinderrechter kan de hiervoor genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.[_6f69c72d-edcc-46ae-9278-bde4561781a9] Dat is hier het geval. De vader is door de GI meerdere malen uitgenodigd voor een gesprek om te bespreken hoe kan worden gewerkt aan contactherstel met [minderjarige] en het vervolgens opbouwen van de omgang. De vader heeft hier echter niet op gereageerd. Het enige contact dat er tussen de vader en de GI is geweest, is bedreigend contact geweest van de vader richting de GI. Dat is niet in [minderjarige] zijn belang. Voor [minderjarige] is het nu het beste om rust te creëren. Als de vader toch ineens wel weer omgang met [minderjarige] wil, dan zal eerst met hulpverlening gekeken moeten worden hoe dit kan worden opgestart. De vader kan [minderjarige] niet zomaar ophalen.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op met ingang van 18 juni 2026;

6.2.

wijzigt de bij beschikking van 13 juni 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat er geen vaste contactregeling is tussen [minderjarige] en de vader;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 7 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.