Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:4276Zaaknummer UTR 26/1061

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
5 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/1061
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het college heeft urgentieaanvraag van eiseres kunnen afwijzen omdat eiseres niet voldoet aan voorwaarden voor urgentie vanwege relatiebeëindiging: de kinderen hebben onderdak en pas na twee jaar na relatiebeëindiging aanvraag ingediend. Beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
  2. Waar gaat deze zaak over?
  3. Procesverloop
  4. Aanvraag
  5. Regels uit de Huisvestingsverordening
  6. Oordeel van de rechtbank
  7. Conclusie en gevolgen
  8. Beslissing
  9. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1061

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.M. van Rooij),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: W. van Beveren).

Waar gaat deze zaak over?

Eiseres heeft bij het college een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring wegens relatiebeëindiging. Het college heeft deze aanvraag afgewezen met het besluit van 18 september 2025 omdat eiseres niet voldoet aan de criteria van artikel 28 en 30 van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht (Huisvestingsverordening). Met het bestreden besluit van 24 december 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Procesverloop

Aanvraag

1. Eiseres heeft op 12 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een urgentie bij relatiebeëindiging. Vanwege een relatiebeëindiging is eiseres in juni 2023 op straat komen te staan. Sindsdien verblijft eiseres op verschillende adressen. Ze heeft al meerdere keren urgentie aangevraagd maar het is niet gelukt om urgentie te krijgen.

Bestreden besluitvorming

WoningNet heeft namens het college deze aanvraag met het besluit van 18 september 2025 afgewezen. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarde zoals genoemd in artikel 28, eerste lid, sub b van de Huisvestingsverordening. Eiseres verblijft namelijk op een vakantiepark en heeft haar eigen woning verkocht op 15 juli 2025. Daarom beschikt eiseres niet langer over een zelfstandige woonruimte. Ook wordt de urgentieaanvraag afgewezen omdat de samenwoning al langer dan drie maanden voor de aanvraag is beëindigd en omdat de rechtbank heeft bepaald dat de hoofdverblijfsplaats van de kinderen bij de vader is. Daarom voldoet eiseres niet aan de voorwaarden genoemd in artikel 30, eerste lid, sub b en d, van de Huisvestingsverordening. Er is volgens het college geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.

Gronden beroep

2. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voldoet wel aan de algemene voorwaarde dat je een zelfstandige woonruimte achterlaat. Ten tijde van het indienen van de urgentieaanvraag had eiseres namelijk nog een gezamenlijke koopwoning met haar ex-partner. Het college heeft het bestreden besluit ook onzorgvuldig genomen omdat niet is gekeken naar persoonlijke reden waarom zij uit koopwoning moest. Verder voldoet zij ook aan de voorwaarden voor relatiebeëindiging. Ondanks dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader is, zorgt eiseres voor hen. Tot slot is er reden om de hardheidsclausule toe te passen omdat zij ergens anders moet gaan logeren als ze geen urgentie krijgt. De moeder van eiseres heeft aangegeven dat het niet houdbaar is dat eiseres met haar twee kinderen bij haar inwoont.

Regels uit de Huisvestingsverordening

3. In artikel 28, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening staat dat urgentie slechts wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarde dat de woningzoekende beschikt over een zelfstandige woonruimte in de woningmarktregio.

4. Verder staat in artikel 30, eerste lid, onder b en d, van de Huisvestigingsvordering dat van urgentie bij relatiebeëindiging uitsluitend sprake is als de samenwoning niet langer dan drie maanden vóór de aanvraag is beëindigd en geen van de ouders of verzorgers in de woningbehoefte van het kind of de kinderen kan of had kunnen voorzien.

5. In artikel 72, eerste lid, van de Huisvestigingsverordening is opgenomen dat het college in gevallen waarin de toepassing van de verordening leidt tot een bijzondere hardheid, ten gunste van de aanvrager kan worden afgeweken van de Huisvestingsverordening.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank stelt voorop dat het besluit van het college beoordeeld wordt aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die waren ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar. Op dat moment had eiseres geen eigen woonruimte meer. Ter zitting heeft het college echter niet goed kunnen uitleggen wat de reden is van de voorwaarde. Wel is toegelicht dat de voorwaarde 30 jaar geleden in de Huisvestingsverordening is gekomen om de groep urgenten te beperken, zodat niet studenten en thuiswonenden onder deze groep vallen. Daardoor zouden de mensen die echt urgentie nodig hebben minder kans maken op urgentie. Strikt genomen voldoet eiseres niet aan de algemene voorwaarde zoals die wordt genoemd in artikel 28, eerste lid, sub b, van de Huisvestingsverordening, maar het is de vraag of die voorwaarde wel bedoeld is voor de situatie van eiseres. Eiseres heeft namelijk wel een zelfstandige woonruimte achtergelaten, ook al had zij die niet meer op het moment van de beslissing op de aanvraag en tijdens de bezwaarprocedure.

7. Als er van zou worden uitgegaan dat eiseres wel zou voldoen aan de voorwaarde van achterlaten van een zelfstandige woonruimte, voldoet eiseres echter nog altijd niet aan de voorwaarden voor urgentie vanwege relatiebeëindiging. Ter zitting heeft het college benadrukt dat daarvoor de belangrijkste overweging is dat in de woonbehoefte van de kinderen wordt voorzien. Zij hebben onderdak bij hun vader. Dat is de belangrijkste reden om de aanvraag voor urgentie af te wijzen. Dat de feitelijke situatie volgens eiseres anders is en dat de kinderen voornamelijk bij haar zijn, heeft zij niet onderbouwd met stukken. Ook de omstandigheid dat volgens eiseres het Hof heeft bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen gelijk verdeeld is over haar en haar ex-partner, heeft eiseres niet onderbouwd. Dat maakt voor de afwijzing van de urgentie geen verschil. Eiseres voldoet namelijk hoe dan ook niet aan de voorwaarde dat binnen drie maanden na relatiebeëindiging een aanvraag moet worden ingediend. Eiseres heeft pas twee jaar nadat de samenlevingsovereenkomst is beëindigd (namelijk 22 maart 2023) deze urgentieaanvraag ingediend. Eiseres voldoet daarom niet aan artikel 30, eerste lid, sub b en d, van de Huisvestingsverordening.

8. Tot slot vindt de rechtbank dat het college de hardheidsclausule zoals bedoeld in artikel 72, eerste lid, van de Huisvestingsverordening niet hoefde toe te passen. Er is geen sprake van een zo ernstige en bijzondere situatie dat het college een uitzondering moest maken op de regels. Eiseres en haar kinderen hebben onderdak en niet is gebleken dat zij op straat komen te staan. Eiseres stelt weliswaar dat haar moeder heeft aangegeven dat het niet houdbaar is dat eiseres met haar twee kinderen bij haar inwoont, maar zij heeft niet onderbouwd dat zij daadwerkelijk op straat komt te staan.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college eiseres geen urgentie hoeft te geven waarmee zij voorrang krijgt op andere woningzoekenden. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.