Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 10 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:4267Zaaknummer UTR 25/6153

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
5 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 25/6153
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser heeft een tweede bewonersparkeervergunning gekregen. Hij heeft geen recht op een eerste bewonersparkeervergunning omdat hij een eigen parkeervoorziening heeft. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.

De rechter is verhinderd om deze uitspraak

te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  2. Waar gaat deze zaak over?
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/6153

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. C. Ligthart).

Waar gaat deze zaak over?

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een tweede bewonersparkeervergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 1 april 2025 toegewezen. Eiser is het daar niet mee eens omdat hij een eerste bewonersparkeervergunning wilt. Met het bestreden besluit van 19 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij deze bewonersparkeervergunning gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht geen eerste bewonersparkeervergunning heeft gegeven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Aanvraag

2. Eiser woont aan de [adres] in [plaats]. Dit ligt in deelrayon [nummer] – [wijk], in zone [locatie]. Vanaf 1 mei 2025 is op het woonadres van eiser betaald parkeren ingevoerd. Eiser heeft met zijn buren een gedeelde oprit, waarop niet allebei de auto’s geparkeerd kunnen worden. In overleg met zijn buren heeft eiser daarom op 29 maart 2025 een parkeervergunning aangevraagd om zijn auto te kunnen parkeren op straat.

Bestreden besluit

3. Het college heeft op 1 april 2025 een tweede bewonersparkeervergunning verleend. Met de toewijzing van deze vergunning is impliciet aangegeven dat er geen eerste bewonersparkeervergunning is verleend. Eiser kan ook met deze tweede bewonersparkeervergunning in het parkeergebied Uitbreiding [wijk] parkeren, maar de daaraan verbonden kosten zijn hoger dan voor een eerste vergunning. In het bestreden besluit is toegelicht dat eiser een eigen oprit heeft, waardoor hij niet in aanmerking komt voor een eerste bewonersparkeervergunning. Dat volgt uit artikel 7 Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen gemeente Utrecht (Nadere regel) en uit artikel 9, zevende en tiende lid, van de Nadere regel. Volgens het college is er ook voldoende ruimte op de oprit van eiser en zijn buren om twee auto’s te parkeren.

Procedure

4. Eiser is het er niet eens met dat hij alleen recht heeft op een tweede bewonersparkeervergunning. Hij wil een eerste bewonersparkeervergunning. Daartoe voert eiser als eerste aan dat de gemeente vooringenomen is. De gemeente heeft ten onrechte de mogelijkheid om een eerste bewonersparkeervergunning aan te vragen niet opengesteld voor eiser omdat volgens het college twee auto’s geparkeerd kunnen worden op de met de buren gedeelde oprit. Daarover had de gemeente in gesprek moeten gaan met eiser. Dit stelt eiser op achterstand in de procedure omdat hij in bezwaar en beroep moet instellen tegen in wat in oorsprong zijn aanvraag was.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser met deze grond wil aanvoeren dat de procedure niet zorgvuldig en omslachtig is ingericht. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet slaagt. Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat het systeem grotendeels is geautomatiseerd gezien de grote aantallen toe- en afwijzingsbesluiten die het college moet nemen als betaald parkeren wordt ingevoerd in een bepaalde wijk. Daarbij wil het college ook tegemoetkomen aan de wens van bewoners om na de formele invoering betaald parkeren op tijd een parkeervergunning te verlenen voorafgaande aan de datum dat het betaald parkeren daadwerkelijk in zal gaan. Op de manier zoals het nu is ingericht kan aan die wens worden tegemoetgekomen. Met deze toelichting heeft het college voldoende toegelicht waarom de procedure deels geautomatiseerd is ingericht. Dit maakt dat het bestreden besluit niet onrechtmatig tot stand is gekomen.

Verslag hoorzitting

6. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen omdat het verslag van de hoorzitting niet compleet is. De vergelijking over de caravanstalling is niet in het hoorverslag terecht gekomen terwijl dat wel is gezegd tijdens de hoorzitting en wel degelijk relevant is.

7. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet slaagt. In artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht staat alleen dat van het horen een verslag wordt gemaakt. Verdere vereisten worden daar niet in genoemd. In het bestreden besluit is een kort verslag van de hoorzitting opgenomen. Hoewel daarin niet de vergelijking over de caravanstalling is opgenomen, staat de kern van het bezwaar van eiser wel duidelijk vermeld. De kern van deze stelling is namelijk dat de parkeervoorziening niet ruim genoeg is voor het op normale wijze parkeren van twee auto’s. Daar is het college ook in het bestreden besluit op ingegaan.

Parkeren

8. Ook voert eiser aan dat hij niet ontkent dat het mogelijk is om twee auto’s op de oprit te zetten. Dat maakt nog niet dat daarmee auto’s geparkeerd kunnen worden, zo stelt eiser. Het is dan namelijk niet mogelijk om normaal in- en uit te stappen. Ook anderen kunnen niet meer op normale voet langs de auto’s over de oprit lopen.

9. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet slaagt. Het college heeft toegelicht dat in artikel 7 van de Nadere regel staat vermeld dat een oprit onder een eigen parkeervoorziening valt. De definitie van eigen parkeervoorziening is; een parkeerplaats behorend bij een woonadres bestemd voor het parkeren van een auto.[_ed268d55-8453-4b33-886f-58c9689b1e94] Uit artikel 7 van de Nadere regel volgt niet dat het vereist is dat de aanvrager ook daadwerkelijk over de parkeervoorziening kan beschikken, c.q. dat er in dit geval daadwerkelijk met twee auto’s op geparkeerd kan worden. Daarbij komt dat alhoewel de rechtbank begrijpt dat het lastig is voor eiser en zijn buren om beide auto’s te parkeren op de gezamenlijke oprit en dat hij anders denkt over de van toepassing zijnde omstandigheden, het college voldoende heeft gemotiveerd dat de oprit ook feitelijk daadwerkelijk een parkeervoorziening is voor twee auto’s. Het college heeft namelijk toegelicht dat de voorziening voor twee auto’s gebruikt kan worden wanneer de auto’s op een andere manier worden neergezet. Daarnaast heeft het college ter zitting toegelicht dat inmiddels de afmetingen van een parkeervoorziening zijn opgenomen in de Nadere regels, waaraan de parkeervoorziening van eiser ook aan voldoet.

Evenredig

10. Tot slot voert eiser aan dat eiser en zijn buren met de komst van betaald parkeren hebben afgesproken dat eiser een parkeervergunning zou aanvragen. Daarmee wordt het doel van de gemeente, namelijk parkeeroverlast voorkomen en de stad bereikbaar houden, gehaald. Van eiser kan niet meer worden verwacht omdat zij al heel lang op hun adres wonen, wat ouder zijn en daardoor minder makkelijk in en uit de auto kunnen stappen.

11. Naar de rechtbank begrijpt voert eiser hiermee aan dat het niet evenredig is om aan hem geen eerste bewonersparkeervergunning te verlenen. Het college heeft hierover terecht gesteld dat het nog steeds mogelijk is om te parkeren in de buurt met de afgegeven bewonersparkeervergunning, hoewel de kosten voor de tweede bewonersvergunning hoger zijn. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het niet onevenredig is om aan eiser geen eerste bewonersparkeervergunning te verlenen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college aan eiser geen eerste bewonersparkeervergunning hoeft te verlenen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.

De rechter is verhinderd om deze uitspraak

te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.