Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 24 april 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4262Zaaknummer UTR 25/4929
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 24 april 2026
- Publicatiedatum
- 23 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/4929
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Opiumwet, woningsluiting. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten op grond van artikel 13b lid 1 onder b. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester de sluiting van de woning niet noodzakelijk heeft kunnen achten. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 juli 2025;
- herroept het primaire besluit van 3 januari 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4929
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser,
(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),
en
de burgemeester van de gemeente Utrecht, de burgemeester,
(gemachtigde: C. Rietvliet).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de sluiting van de woning van eiser voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de woningsluiting.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester ten onrechte is overgegaan tot sluiting van de woning van eiser. Eiser krijgt gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De burgemeester heeft op 3 januari 2025 besloten om de woning van eiser aan de [adres] in [plaats] op grond van artikel 13b, eerste lid onder b, van de Opiumwet met ingang van 21 december 2024 voor de duur van zes maanden te sluiten. Deze sluiting heeft te maken met een in de woning aangetroffen hennepkwekerij in aanbouw.
Met het bestreden besluit van 18 juli 2025 op het bezwaar van eiser heeft de burgemeester het besluit voor wat betreft de sluitingsduur – van zes maanden naar drie maanden – herroepen en voor het overige het besluit in stand gelaten.
Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
De aanleiding voor de woningsluiting
3. Op 20 december 2024 werd de inspecteur van de gemeente door de politie gebeld met het verzoek ter plaatse te komen op de [adres] in [plaats]. Daar zou een niet in werking zijnde hennepkwekerij in de woning zijn aangetroffen. De politie was naar aanleiding van een onderzoek in handel in vuurwerk de woning van eiser binnen gegaan om hem aan te houden en het vuurwerk in beslag te nemen. Daar trof de politie in de slaapkamer een niet in werking zijnde hennepkwekerij aan. De inspecteur heeft geconstateerd dat de slaapkamer was bezaaid met verhuisdozen, dat de woonkamer en keuken bezaaid waren met bouwafval, dat de deur naar de tweede slaapkamer was weggehaald en was voorzien van een MDF-plaat die aan de binnenkant bekleed was met folie, dat er veel kabels loshingen in de tweede slaapkamer en dat er nauwelijks tot geen persoonlijke goederen aanwezig waren. Ook heeft de politie aan de inspecteur laten weten dat er assimilatielampen aanwezig waren die door de politie verwijderd zijn.[_2adc2d3a-7309-404f-81dc-3774bd52b42a]
4. Naar aanleiding van deze controle heeft de burgemeester besloten de woning op 3 januari 2025 op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten.
Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
5. De burgemeester heeft op grond van het eerste lid van artikel 13b Opiumwet de bevoegdheid om een woning te sluiten als (a) daarin drugs worden aangetroffen die bedoeld zijn om te verhandelen of (b) als er voorwerpen aanwezig zijn waarvan duidelijk is dat die bedoeld zijn om de handel mogelijk te maken.
6. De burgemeester heeft geconcludeerd dat er in de woning van eiser sprake was van voorbereidingshandelingen voor illegale en grootschalige hennepteelt, omdat in de woning een hennepkwekerij in aanbouw is aangetroffen.
7. Dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid onder b, van de Opiumwet bevoegd was om de woning te sluiten is tussen partijen niet in geschil. Eiser vindt vooral dat er omstandigheden aanwezig zijn die maken dat de burgemeester niet van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Hij vindt dat de sluiting niet noodzakelijk en evenwichtig is.
Heeft de burgemeester redelijkerwijs van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken?
8. Eiser stelt voorop dat hij niet betwist dat hij de Opiumwet heeft overtreden, maar hij vindt dat de sluiting van de woning niet noodzakelijk en niet evenwichtig was gelet op de ernst van de situatie. Eiser wijst op de Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet gemeente Utrecht (de beleidsregel). Daarin staat dat bij een eerste overtreding in beginsel wordt volstaan met een waarschuwing, tenzij sprake is van een ernstige situatie. Volgens eiser is daar hier geen sprake van. De burgemeester heeft niet aannemelijk gemaakt dat de drugshandel in georganiseerd verband of vanuit de woning van eiser heeft plaatsgevonden. Verder voert eiser aan dat de indicatoren (zoals opgenomen in de beleidsregel) die de burgemeester tegenwerpt niet of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op zijn situatie. Eiser stelt dat de overtreding niet heeft geleid tot gevaarzetting, onrust of overlast in de wijk, aan- en toeloop van mensen of van georganiseerde drugshandel. Ook vindt eiser dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd dat de woning is gelegen in een kwetsbare wijk en wat het verband is met de woning van eiser. Daar komt bij dat de hennepkwekerij niet in werking was en er geen drugs zijn aangetroffen in de woning. De aanwezige goederen zijn niet gebruikt voor het telen van drugs. Het verwijtbare gedrag van eiser kan op zichzelf niet leiden tot het aannemen van een ernstige situatie. Eiser heeft derden de kwekerij laten installeren en hij zou periodiek een bedrag ontvangen, maar hij heeft eind 2022 besloten om er niet mee door te gaan. De derden hebben geweigerd de kwekerij te ontmantelen en eiser bezit niet de kennis om dat zelf te doen. Op de zitting heeft hij er nog op gewezen dat hij ook bang was dat de buren van de ontmanteling op de hoogte zouden raken en de relatie die hij heeft met de buren daarom onder druk zou komen te staan.
9. De rechtbank overweegt dat aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde, of dat ook volstaan kan worden met een minder ingrijpend middel. In dat kader heeft de burgemeester in de beleidsregel gewezen op de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet, waaruit naar voren komt dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van een woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet echter worden beschouwd als een uitgangspunt waar in ernstige situaties van mag worden afgeweken. Van een ernstige situatie is volgens de beleidsregel sprake als het aannemelijk is dat drugshandel in georganiseerd verband in of vanuit een pand plaatsvindt, of als de aanwezigheid van drugs hierop duidt. De burgemeester heeft vervolgens verschillende omstandigheden opgesomd die volgens hem aanleiding geven voor het vermoeden dat sprake is van een ernstige situatie, de zogenaamde indicatorenlijst. Uit de beleidsregel volgt dat de indicatorenlijst nadrukkelijk een hulpmiddel is en dat voor de toepassing van de sluiting altijd eerst gekeken moet worden of is voldaan aan de criteria van artikel 13b van de Opiumwet.
10. Uit het dossier en wat op de zitting is besproken maakt de rechtbank op dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting met name heeft gebaseerd op de omstandigheid dat eiser wist van de hennepkwekerij in aanbouw, hij heeft aangegeven dat hij hier geld aan wilde verdienen en kennissen heeft ingeschakeld om de hennepkwekerij op te bouwen. Volgens de burgemeester kan hieruit worden opgemaakt dat eiser verwijtbaar heeft gehandeld. Ook wijzen de omstandigheden er volgens de burgemeester op dat sprake was van een hennepkwekerij waaruit bedrijfsmatig gehandeld zou kunnen worden en dat er banden zijn met het drugscircuit. Daarbij vindt de burgemeester van belang dat de kennissen van eiser kennelijk kennis hadden van het opbouwen van een hennepkwekerij. Ook heeft de burgemeester er op gewezen dat de woning van eiser in een kwetsbare wijk ligt waarin meerdere incidenten met drugs hebben plaatsgevonden.
11. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich aldus ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat gelet op de ernst en omvang van de overtreding de sluiting van de woning noodzakelijk was.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 20 december 2024, opgemaakt door een toezichthouder van de gemeente Utrecht, blijkt dat in de woning van eiser in de slaapkamer een niet in werking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen. Dat er sprake was van een hennepkwekerij in aanbouw en eiser voornemens was om daar geld mee te verdienen is ook niet in geschil. Maar ook is niet in geschil dat sprake was van een eerste overtreding, dat er in de woning geen hennep is geteeld en dat er door de politie geen drugs zijn aangetroffen in de woning. Daarnaast volgt uit het proces-verbaal dat de toezichthouder aan de politieagent vroeg of de kwekerij reeds door de politie was ontmanteld, waarop de politieagent aangaf dat alle assimilatielampen door de politie waren verwijderd. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal of uit het dossier niet volgt hoeveel assimilatielampen de politie heeft verwijderd. Verder stelt de rechtbank vast dat het proces-verbaal geen andere materialen noemt die verband houden met het telen van hennep of andere drugs of het voorbereiden hiervan. Ook is niet bekend hoe groot de slaapkamer is en de gemachtigde van de burgemeester heeft op de zitting ook niet kunnen toelichten van welke omvang de hennepkwekerij mogelijk zou zijn geweest. De rechtbank stelt daarnaast vast dat niet in geschil is dat er geen sprake was van ‘loop’ van personen die met drugshandel en/of drugsgebruik in verband kunnen worden gebracht en dat ook niet in geschil is dat geen meldingen bekend zijn geworden van (drugs)overlast met betrekking tot eiser of zijn woning.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester niet met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van drugshandel in georganiseerd verband of dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Evenmin heeft de burgemeester het standpunt onderbouwd dat de kennissen die een start hebben gemaakt met de aanbouw van de hennepkwekerij ervaren drugscriminelen zijn of anderszins een link hebben met georganiseerde drugscriminaliteit. De enkele verklaring van eiser dat deze kennissen de aanbouw hebben verzorgd en daar kennelijk verstand van hadden, is daarvoor onvoldoende. Niet is gebleken van enig onderzoek naar deze kennissen of hun rol in het drugscircuit. De burgemeester heeft de stelling dat de woning van eiser bekend is in het criminele circuit of dat anderszins sprake is van drugshandel in georganiseerd verband dan ook niet onderbouwd.
De rechtbank overweegt verder dat eiser weliswaar heeft erkend dat sprake was van een hennepkwekerij in aanbouw en ook dat hij daar geld uit wilde halen, maar ook heeft eiser verklaard dat hij daar nooit mee door is gegaan. De rechtbank vindt de enkele stelling van eiser dat hij het voornemen had om hier geld uit te halen onvoldoende onderbouwing om aan te nemen dat in het geval van eiser sprake was van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. De rechtbank acht daarbij van belang dat er geen hennepteelt heeft plaatsgevonden en niet aannemelijk is geworden dat sprake was van activiteiten die duidden op voortzetting van de aanbouw of op daadwerkelijke teelt of verkoop van hennep. De rechtbank merkt daarbij op dat de burgemeester kennelijk geen of weinig waarde hecht aan de verklaring van eiser dat hij heeft besloten de hennepkwekerij niet door te zetten. Terwijl de burgemeester het standpunt dat sprake is van bedrijfsmatige handel en verband met georganiseerde drugscriminaliteit wel uitsluitend lijkt te baseren op de verklaringen van eiser dat hij voornemens was met de hennepkwekerij geld te verdienen en dat kennissen zijn begonnen met de aanbouw van de hennepkwekerij en daar kennelijk verstand van hadden. Niet valt in te zien waarom de burgemeester aan de ene verklaring van eiser geen waarde toekent, maar aan de andere verklaringen van eiser zonder nader onderzoek of onderbouwing wel doorslaggevende waarde lijkt toe te kennen.
De rechtbank overweegt verder dat bij de beoordeling of het noodzakelijk is om een woning te sluiten mede van belang kan zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of druggerelateerde criminaliteit. De burgemeester heeft de stelling dat daar sprake van is niet onderbouwd. De burgemeester heeft pas in het verweerschrift gewezen op verschillende incidenten in de [locatie 1], [locatie 2] en het [locatie 3], maar heeft daar ook in het verweerschrift geen nadere onderbouwing voor gegeven. Daarmee heeft de burgemeester niet aannemelijk gemaakt dat in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of druggerelateerde criminaliteit.
De rechtbank is daarom alles overziend van oordeel dat de burgemeester de sluiting van de woning niet noodzakelijk heeft kunnen achten. De burgemeester heeft niet met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, dat sprake is geweest van drugsovertredingen of druggerelateerde criminaliteit in de buurt van de woning, en dat sprake is geweest van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester op basis van de feiten en omstandigheden die wel aannemelijk zijn geworden zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een zodanige ernstige situatie dat – ondanks de omstandigheid dat sprake is van een eerste overtreding – sluiting van de woning noodzakelijk was.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, het primaire besluit tot sluiting te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank vindt daarbij van belang dat uit het dossier noch uit het standpunt van de burgemeester op de zitting is gebleken dat de burgemeester nader onderzoek naar de hennepkwekerij in aanbouw heeft gedaan en dat de burgemeester daarover ook geen signalen of meldingen van de politie heeft. De sluiting is inmiddels ook een jaar geleden, zodat niet in de rede ligt dat nader onderzoek tot een andere uitkomst zal leiden. Bovendien is de sluiting van de woning een herstelmaatregel met als doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit de woning. De rechtbank ziet geen aanleiding om de burgemeester op te dragen opnieuw te beslissen, omdat de sluiting van de woning gelet op de ernst en de omvang van de overtreding niet kan bijdragen aan dat doel.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de burgemeester het aan eiser betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt in beroep. Omdat de rechtbank het primaire besluit zal herroepen, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten in bezwaar. De burgemeester moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,-, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,-, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-) bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt: € 3.200,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 juli 2025;
- herroept het primaire besluit van 3 januari 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.