Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 8 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4256Zaaknummer UTR 26/1504
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Publicatiedatum
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/1504
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
PV mondelinge uitspraak. Het beroep van eiser is ongegrond. Eisers auto is terecht weggesleept van het Janskerkhof in Utrecht. Er gold een tijdelijk parkeerverbod en het is eisers verantwoordelijkheid om na te gaan wat de geldende verkeersregels ter plaatse waren.
uitspraak te ondertekenen
| griffier | rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1504
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigden: mr. T. Vos en mr. J.J. Cakici).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 16 januari 2026 (het bestreden besluit) van het college. Het college heeft het bezwaar van eiser met het bestreden besluit ongegrond verklaard en geconcludeerd dat zij de auto van eiser met een last onder bestuursdwang op 10 oktober 2025 mocht wegslepen van het Janskerkhof in Utrecht (het primaire besluit). Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit omdat eiser vindt dat zijn auto onterecht is weggesleept. Het zou voor eiser namelijk niet duidelijk zijn geweest dat er op dat moment een tijdelijk parkeerverbod gold vanwege de opbouw van een evenement. Volgens eiser stonden er wel tijdelijke verbodsborden waar hij zijn auto had geparkeerd, maar die gaven aan dat er een parkeerverbod gold voor 15 tot en met 20 oktober 2025. Er stond ook een tijdelijk verbodsbord voor 10 tot en met 11 oktober 2025, maar dat bord stond volgens eiser niet op de plek waar hij zijn auto had geparkeerd. Eiser vindt daarom dat zijn auto onterecht is weggesleept en wil de kosten die hij heeft moeten betalen voor het wegslepen van zijn auto terug.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank oordeelt dat eisers auto terecht is weggesleept en eiser hier dus ook de wegsleepkosten voor moest betalen. Voor dit oordeel is het volgende van belang.
2. Het college heeft eisers auto weggesleept door een last onder bestuursdwang aan eiser op te leggen. Voor het opleggen van een last onder bestuursdwang, en dus het wegslepen van eisers auto, moet er sprake zijn van een overtreding.[_f2132b10-17f5-417a-bc05-85d2215a508c] In dit geval een overtreding van het tijdelijk parkeerverbod.[_29289174-2336-4ad0-9946-1811767a952e] Het is aan het college om aannemelijk te maken dat eiser die overtreding heeft begaan.
3. De rechtbank oordeelt dat het college dat aannemelijk heeft gemaakt. Op basis van de foto’s en de overzichtskaart die in het dossier zitten, is tijdens de zitting vastgesteld dat er links van het voertuig van eiser een tijdelijk verbodsbord stond waarop werd aangegeven dat het verboden was om te parkeren van 10 oktober 7.00 uur tot en met 11 oktober 12.00 uur. Verder is op de overzichtskaart te zien dat dit tijdelijk verbodsbord een onderbord had waarop pijlen in beide richtingen van de parkeerstrook wezen. Dus ook in de richting van het parkeervak waar eisers auto stond geparkeerd. Er stonden bij die parkeerstrook ook tijdelijke verbodsborden voor een parkeerverbod van 15 tot en met 20 oktober 2025, maar dat betekent niet dat het parkeerverbod van 10 tot en met 11 oktober 2025 niet gold. Deze parkeerverboden bestonden naast elkaar. Het college heeft tijdens de zitting namelijk toegelicht dat er twee evenementen plaatsvonden op het Janskerkhof en dat er voor de opbouw van die evenementen twee, naast elkaar bestaande, parkeerverboden golden voor verschillende data. Het is eisers verantwoordelijkheid om na te gaan wat de op deze plek geldende verkeersregels waren en, als dat niet direct duidelijk is, nader te bekijken wat is aangegeven op de verbodsborden. Als eiser dat had gedaan, had hij gezien dat het tijdelijke verbodsbord waarop 10 tot en met 11 oktober 2025 stond aangegeven, ook een pijl in de richting van zijn parkeervak wees. Dit mag van eiser als verkeersdeelnemer ook worden verwacht.
4. Het college was daarnaast bevoegd om de auto weg te slepen. Het was namelijk noodzakelijk om eisers auto weg te slepen in verband met de opbouw van een evenement. De noodzaak van het wegslepen van de auto heeft eiser ook niet ter discussie gesteld.
5. Als de overtreding is komen vast te staan, heeft het college in beginsel ook de verplichting om handhavend op te treden, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid waarom het college hier vanaf zou moeten wijken. Daarvan was hier geen sprake.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college eisers auto terecht heeft weggesleept en daartoe ook bevoegd was. Dat betekent ook dat eiser terecht heeft moeten betalen voor de wegsleepkosten. Omdat eiser geen gelijk krijgt, krijgt hij het griffierecht ook niet terug.
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026 door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
| griffier | rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.